Tussen Anton Pieck en de bulldozer; Het recht van monumenten om hinderlijk te zijn

De zorg voor monumenten heeft zich in Nederland altijd afgespeeld in een klimaat van onverschilligheid. Het verleden wordt als hinderlijk ervaren, door architecten, door projectontwikkelaars en door politici. Als er één cultuursector zwaar is getroffen door de bezuinigingen, dan is het wel de monumentenzorg. “Wat moet Nederland met zijn 60.000 monumenten en zijn beschermde stads- en dorpsgezichten aanvangen? Moeten we gradaties in monumenten vaststellen? Monumenten die helemaal intact moeten blijven omdat ze zo stijlzuiver zijn of hun type zo zeldzaam voorkomt?”

Dokter De Bruin is een gelukkig mens. Zijn huis aan die Amsterdamse gracht is een juweel geworden. Van dat onrustige rococo stucwerk is niets meer te zien. De plafonds zijn hoog en strak. De doorgebroken muren maken de living tot een feest, de Italiaanse keuken, de praktijkruimte en de kinderkamers zien er spic en span uit. De oude mevrouw die er tot voor kort woonde had weinig aan onderhoud gedaan. Krakende trappen, groenig behang en licht paarse ruitjes. In haar keuken stond zelfs nog een pomp. Een beetje unheimlich had mevrouw De Bruin het gevonden. Wekenlang was men aan het slopen geweest. Wat er allemaal niet uit zo'n huis kwam. Eiken balken en spiltrappen, wasbakken met koperen kranen en flarden leerbehang, IJsselsteentjes, glas-in-loodramen, brokken van marmeren schoorsteenmantels, loodzware deuren en boekenkasten. Container na container werd gevuld.

Deze dokter De Bruin is een fictief voorbeeld. Maar er zijn honderden dokters De Bruins in Nederland en vele andere particulieren, diensten en bedrijven die zich hebben gevestigd in monumentale panden, in boerderijen en buitenhuizen, waarvan het heet dat ze zijn hersteld "in oude luister' en waarvan eerbiedig wordt gemompeld dat hier "kostelijk erfgoed' is gered. Neem het pand Oude Niezel 22 te Amsterdam, een huis waar in de zeventiende eeuw leden van het burgemeestersgeslacht Bicker woonden. De oorspronkelijke 16de-eeuwse skeletconstructie, waarvan de architectuurhistorische waarde unaniem erkend werd, bleek door vocht en zwam zo sterk aangetast dat zij verwijderd moest worden. Het geheel nieuw opgetrokken pand staat er nu weer keurig bij, met in het linkerdeel een Chinese Fast Food-zaak en rechts wooneenheden. Het is dus niets anders dan een twintigste-eeuwse replica, gebouwd door Stadsherstel. De helft van de 1,8 miljoen gulden die dit project heeft gekost, bestond uit subsidie.

Of neem een andere variant: in de Amsterdamse Bethaniënstraat is vorige maand een nieuw stukje straat opgeleverd, nieuwbouw en antieke gevels dooreen. Wie het bouwproces heeft gevolgd weet dat het blok van de grond af aan opnieuw met beton is opgebouwd. Pas in de allerlaatste fase zijn de antieke steentjes van de oude gevels er weer voorgeplakt. Nù weet de hele buurt het nog, maar over vijf jaar is iedereen de vermomming vergeten.

Nederland wordt vervalst. We weten niet meer wat we zien. Hoeveel kerken zijn niet gotischer gemaakt dan ze ooit zijn geweest, hoeveel ruïnes zijn niet teruggetoverd tot een volmaakt kasteel? In het gebombardeerde hart van Middelburg zijn individuele huizen en kerken gerestaureerd, maar het middeleeuwse stratenplan is aangepast aan de eisen van deze tijd. Façade-restauratie treft men overal in Nederland aan. Neem het Brinkmann complex op de Grote Markt in Haarlem, waar enkele oude geveltjes een groot winkelcomplex maskeren. In Amsterdam op Kattenburg staat een hele gevelwand van oude gevels die er nooit hebben gestaan, compleet met deuren die niet open kunnen. Het hele centrum van deze stad heeft trouwens een veel achttiende-eeuwser aanzien gekregen dan het ooit bezeten heeft. De negentiende eeuw is er goeddeels weggeretoucheerd. Stadjes als Heusden en Boertange zijn volledige reconstructies. In Rotterdam, bij het Witte Huis, herbouwt men op het ogenblik oude huizen die in verband met de nieuwe spoortunnel tijdelijk verwijderd en opgeslagen zijn geweest. Nog een andere variant van de manipulering van het verleden is de integrale verplaatsing van een monument. In Enkhuizen zijn jaren geleden twee pakhuizen enkele honderden meter verplaatst. In Haarlem verhuisden twee complete hofjes. Wat zien we daar nu eigenlijk?

Onecht

Sedert restauratie als onderdeel van de zorg voor monumenten een bewuste bouwkundige activiteit is geworden, ergens in de negentiende eeuw, is er gediscussieerd over de juiste methode. De hele restauratie-ethiek heeft zich bewogen tussen twee polen: historiserende reconstructie en consoliderend herstel.

De eerste vorm is weliswaar het meest spectaculair, maar biedt ook de meeste kansen op vervalsing. Zo zijn er stilistische oervoorstellingen ontstaan van wat een middeleeuws kasteel is, of een gotische kerk, of een zeventiende-eeuws huis. Deze modellen gaan een eigen leven leiden, ze bepalen het beeld en kunnen in al hun onechtheid weer model staan voor latere beeldvorming en restauratie.

De tweede vorm, het consoliderend herstel, oogt minder spectaculair, maar is wel eerlijker. Deze vorm van monumentenzorg verhult niet dat een gebouw een heel leven achter zich heeft, dat het is verbouwd, verzakt, opgelapt en aangepast. Maar voor de perfectionistische restauratie-architect is het onverdragelijk de verschillende levensfasen van een gebouw te laten zien. Vandaar zoveel vlekkeloze restauraties waarbij alles weer in het lood staat en een huis uit de zeventiende eeuw er uit ziet of het gisteren gebouwd is. En in vele gevallen is dat ook zo.

De zorg voor monumenten heeft zich altijd afgespeeld in een klimaat van onverschilligheid, waarin het verleden als hinderlijk werd ervaren. Al in de negentiende eeuw is er in Nederland onherstelbaar veel gesloopt. In 1873 schreef Victor de Stuers in De Gids zijn beroemde artikel Holland op zijn smalst, waarin hij de voortdurende verwaarlozing van het Nederlands erfgoed hekelt. Dat heeft de overheid maar vooral de particulieren wakker geschud, zodat de afbraak tenminste werd afgeremd. Maar de "Stedenschennis', zoals Jan Veth het in 1900 noemde, is nooit gestopt.

In de jaren dertig beschuldigde Huizinga in zijn Nederland's Beschaving in de Zeventiende Eeuw niet alleen de negentiende eeuw van verwaarlozing van het gebouwde verleden, maar hij signaleerde ook hoeveel in zijn eigen tijd moest wijken "voor de eischen van het onmeedoogende verkeer'. Deze tendens heeft zich na de Tweede Wereldoorlog voortgezet met meer technische middelen en met meer geld. Er is ook een versnelling opgetreden in de functiewisseling van gebouwen en locaties. Op een ongekende wijze is er gesaneerd en doorgebroken, er verrezen kantoren, winkelcentra en hotels en dat alles werd zonder erbarmen op de oude stadsstructuur gedrukt, ongeacht de bestaande bouwhoogtes en het oude fijnmazige stratenpatroon. Winkelpassages zijn zo uniform ontworpen dat je vaak werkelijk niet meer weet in welke stad je inkopen doet.

Monumentenzorg mag de economische dynamiek nooit in de weg staan. “Regulerend optreden vanuit een oogpunt van monumentenzorg is van groot belang, maar dit mag niet leiden tot het frustreren van initiatieven en wensen vanuit de marktsector en particulieren”, zo heet het in het rapport Investeren in de historische factor, dat het Nederlands Economisch Instituut in 1989 schreef voor WVC. Maar over een dergelijke frustratie hoeft de marktsector zich zelden zorgen te maken. In het oude hart van Amsterdam valt dat ter plekke te constateren rond de Nieuwezijds Kolk. Daar is een omvangrijk complex van winkels, hotels, kantoren en een parkeergarage ontworpen waarvoor veel oude panden, waaronder drie Rijksmonumenten, zijn gesneuveld of nog moeten wijken. Ironisch genoeg gebeurt dat recht tegenover het uit 1620 daterende Korenmetershuisje, het hoofdkantoor van de Bond Heemschut. In schaal valt dit in het niet bij de plannen voor de IJ-oevers. Ook daar wordt het verleden genegeerd. Deze zomer bracht de Rijksdienst Monumentenzorg een vernietigend advies uit over de gevolgen van de uitvoering van het zogenaamde concept-Masterplan IJ-oevers. Dat advies concludeert dat het Masterplan op sommige plaatsen een zeer negatieve invloed heeft op de cultuurhistorische waarden van het gebied. Het is tekenend dat de gemeente Amsterdam niet zelf om een dergelijk analyse heeft gevraagd.

Nostalgie

Sommige steden zijn geschrokken van het negeren van het verleden en hebben inmiddels het begrip "monumentenzorg' ontdekt, niet in de laatste plaats omdat het een instrument is in de bevordering van het cultuurtoerisme. Het verleden is een onderdeel geworden van de slag om de vrijetijdsbesteding, het wordt een middel om de behoefte aan nostalgie en vermaak te bevredigen. In Leiden beijvert men zich om het geboortehuis van Rembrandt opnieuw op te bouwen. In Egmond aan den Hoef werden enkele jaren geleden plannen ontwikkeld om het in 1573 afgebrande slot te herbouwen. Nijmegen wilde twaalfhonderd jaar na Karel de Grote het Valkhof reconstrueren. In Amstelveen, aan de Amstel, is de sloper Arie Bakker van plan het Huis Kostverloren, gesloopt in 1822, weer op te bouwen. Terwijl vele gemeenten niet eens geld hebben voor de reparatie van de dakgoot van hun kerken of voor de conservering van de glas-in-loodramen, wilde men in Zaltbommel een nieuwe spits zetten op de vertrouwde toren aan de Waal, waar de oude in 1538 was afgewaaid.

Al die plannen maken duidelijk op welke merkwaardige wijze we met het verleden omgaan. We laten verkommeren wat authentiek is en zijn tegelijk bereid te investeren in wat per definitie onecht is. De uiterste en eerlijkste consequentie van dit sollen is dat een oud gebouw wordt afgebroken en in zijn geheel weer wordt opgebouwd in het Openluchtmuseum in Arnhem of het Zuiderzee Museum in Enkhuizen. In dergelijke historische reservaten is het verleden een bezienswaardigheid geworden, iets dat in de oorspronkelijke omgeving zijn functie heeft verloren. Merkwaardig en leerzaam op een vakantiedag. En in ieder geval niet hinderlijk.

Het verleden wordt te vaak als hinderlijk gevoeld. Voor de projectontwikkelaars die het woord monument als synoniem voor geld-, tijd- en oppervlakteverlies beschouwen. Voor de stadvernieuwers en de volkshuisvesters, die er geen raad mee weten. Zij werken met rigide eisen en voorschriften van de volkswoningbouw betreffende halletjes, deurdiktes, geluidsisolatie, kamer-, gang-, en trapmaten. En nieuwbouw per woonblok is op de tekentafel nu eenmaal overzichtelijker dan aanpassing aan een bestaand huis, of aan een bestaande bebouwing.

Het verleden is ook hinderlijk voor architecten, omdat het hen beperkt in hun mogelijkheden om een stempel te drukken op een gebouw, een gevelwand, of op een hele wijk. Een architect wil ontwerpen en het liefst uitgaan van een tabula rasa. Het verleden daarentegen vereist zorg en aanpassing, en vooral herkenning van de historische en bouwkundige kwaliteiten van een oud gebouw. De Nederlandse architecten missen een "genuanceerde kijk op het verleden', zo drukt een medewerker van de Rijksdienst Monumentenzorg het uit. “Toevoegingen aan een oud gebouw vindt men heroïsch.”

De verbouwing van een oud pand dat je niet eerst mag uithollen, het ontwerpen van nieuwe bebouwing in een oud stadsdeel is alleen maar lastig. Onlangs is deze mentaliteit nog pregnant verwoord door de voorzitter van de BNA, de Bond van Nederlandse Architecten, Carel Weeber. In een interview in deze krant betreurt hij het dat men in Nederland niet bereid is "de binnensteden sneller te vervangen door nieuwbouw'. Hij verwijst dan naar Brussel, waar "meer durf' is en waar "het hart wordt omgewoeld'. Inderdaad is het oude hart van Brussel in hoog tempo getransformeerd tot een anoniem conglomeraat van wegen, viaducten en grootschalig beton. Waar kan een Nederlandse architect ooit nog komen tot op zijn minst begrip voor een bestaande historische situatie en tot herkenning van historische en architectonische kwaliteiten van een oud gebouw, als zijn voorman met dergelijke denkbeelden rondloopt en als de aandacht voor kunstgeschiedenis, architectuurgeschiedenis en stedenbouwgeschiedenis bij de faculteit Bouwkunde in Delft is geminimaliseerd?

Ten slotte is het verleden ook hinderlijk voor de politiek. Monumentenzorg is voor politici een onaantrekkelijk terrein. De grotere projecten hebben een looptijd van tien, soms twintig jaar, zodat er nauwelijks met successen gepronkt kan worden. Het subsidiesysteem is zodanig dat men telkens beslissingen moet nemen die ver buiten de eigen zittingstermijn gevolgen hebben. In veel gemeentes is de raad nu al bezig monumentensubsidies toe te kennen die pas na 1997 of 1998 kunnen worden uitgekeerd.

Het gevolg van dit gebrek aan politieke inzet is dat keer op keer discussies over "gevoelige' plekken in een stad worden afgewenteld op het ontwerp van de desbetreffende architect. Wat in de eerste plaats ter discussie hoort te staan is niet het werk van de architect, maar het beleid van de overheid. Wanneer een gemeentebestuur toelaat dat kwetsbare gebieden volgepompt worden met omvangrijke kantoorarealen en winkelruimtes, dan heeft welke architect dan ook weinig mogelijkheden meer om het karakter van zo'n buurt te redden. Als hij dat al zou willen.

Geheugen

Te weinig geld, te weinig politieke en bestuurlijke interesse. Daar komt nog iets bij, of liever gezegd, daar ligt iets aan ten grondslag: het verdwenen geheugen. Een van de gevolgen van het verlies van kennis van het eigen verleden is dat er ook geen identificatie meer mogelijk is met het materiële verleden.

Het wemelt in Nederland van de "lieux de memoires', en dat betekent niet alleen kastelen en kerken, maar ook trekvaarten en dijken, sluizen en slagvelden, grafheuvels en vuurtorens. Dergelijke plekken verliezen iedere zin als de bevolking zich daar niets bij kan voorstellen. Het worden onbegrepen en daardoor verwaarloosde curiosa waarmee zonder scrupules gesold kan worden.

Maar waarom heten dan toch zoveel nieuwbouwwijken Essensteyn, Randwijck of Buytenwijck? Waarom tooien kantoorkolossen zich met namen als Amstelstaete en Slotersteyn? Om dezelfde reden dat de bakker zijn winkel, hoe modern ook, In de Soete Suyckerbol noemt, en het eethuis De Olde Taverne heet. Zo'n historische etiket straalt iets uit van betrouwbaarheid, een vaag besef van traditie en vakmanschap, iets waarvan men weet dat men het zelf niet meer bezit.

Maar, zal men zeggen, we hebben toch een Monumentenzorg, er zijn toch schoonheidscommissies en welstandscommissies en monumenten zijn toch beschermd? Dat zijn toch waarborgen?

De wakende instantie, de Rijksdienst Monumentenzorg, bevindt zich al jaren in een identiteitscrisis, waarvan zij nu, tijdens een tweede reorganisatiefase, heel langzaam lijkt te herstellen. Verder bestaat er een schrikbarende discrepantie tussen het geld dat voor restauratie en onderhoud beschikbaar is, en het aantal objecten dat daarmee onder handen genomen moet worden. Als er één cultuursector zwaar is getroffen door de bezuinigingen, dan is het wel de monumentenzorg. Dat heeft zich geruisloos kunnen voltrekken omdat de mensen in deze sector zich kenmerken door rust en redelijkheid. En dat wreekt zich. Het totale monumentenbudget op de begroting van WVC is tussen 1980 en 1993 gedaald van 226 tot 129 miljoen gulden (met een prognose voor 1996 van 98 miljoen). Dat is zowel een gevolg van structurele bezuinigingen, als van het wegvallen van bijdragen uit werkgelegenheidsprojecten en uit het stadsvernieuwingsfonds. Het deelbudget dat alleen bedoeld is voor restauratie is gedaald van 179 tot 86 miljoen.

Tegelijkertijd zal het aantal monumenten de komende jaren sterk stijgen. In het kader van het Monumenten Inventarisatie Project (MIP) worden uit de periode 1850 tot 1940 zo'n 165.000 gebouwen en 650 gebieden van bijzondere waarde geïnventariseerd. Naar schatting wordt tien procent daarvan tot monument verklaard. Uiteindelijk zal Nederland zo'n 60.000 rijksmonumenten tellen.

Daarbij komt dat de nieuwe Monumentenwet van 1988 de belangrijkste verantwoordelijkheden op de gemeenten heeft afgewenteld. Zij moeten beslissen over de plaatsing op de monumentenlijst, zij moeten de prioriteiten leggen bij het toekennen van subsidies. De gemeenten moeten zich in hoog tempo oriënteren op hun nieuwe taken. Subsidies zullen in de eerste plaats naar gemeentelijke objecten gaan en particulieren hebben het nakijken.

Toch drijft het monumentenbewustzijn in Nederland, voor zover dat aanwezig is, voor het grootste deel op particulieren. Er zijn ruim zeshonderd particuliere organisaties actief op het gebied van monumentenzorg. Minister d'Ancona mag dan ook graag naar dit particuliere enthousiasme verwijzen. Maar van een daadwerkelijke stimulering valt niets te bespeuren.

Impressie

Wat moet Nederland met zijn 60.000 monumenten en zijn beschermde stads- en dorpsgezichten aanvangen? Moeten we gradaties in monumenten vaststellen? Monumenten die helemaal intact moeten blijven omdat ze zo stijlzuiver zijn of hun type zo zeldzaam voorkomt? En mogen we minder typische monumenten onbeperkt laten verbouwen, verplaatsen of laten afbreken? Of moeten we alleen de oudste monumenten bewaren? Of alleen de grootste? Moeten we, zoals ook wel geopperd is, monumenten gewoon maar laten vervallen en hun ruïnes als een nieuw esthetisch element in stad en land op gaan vatten? Of moeten we toch kiezen voor integrale restauratie van individuele panden of voor het opknappen van alleen gevelwanden en daarachter nieuwbouw toelaten, zodat er tenminste nog een impressie van het verleden overblijft?

Op dit moment laat WVC onderzoeken hoe groot de achterstand in het land is op het gebied van restauratie en onderhoud. Het ministerie zelf houdt het op een jaarlijkse "hardnekkige achterstand van circa 600 miljoen' gulden. In verhouding tot het beschikbare budget is dat geen achterstand meer, maar een onmogelijke situatie. Hier kan geen sprake meer zijn van inlopen. Het systeem is structureel ontspoord.

Wat, met dit nog te verschijnen WVC-rapport als uitgangspunt, nodig is, is niet alleen meer geld, maar ook een visie. Een visie op monumentenzorg waarin aspecten van onderhoud, beheer, restauratie en ruimtelijke ordening geïntegreerd zijn. Aan de andere kant moeten bestuurders en politici vaker de moed opbrengen om iets nét te doen. De strikte toepassing van de volkshuisvestingsregels, bedoeld voor huurflats en nieuwbouwwoningen, op monumenten, heeft veel restauraties gefrustreerd en de bewoners en subsidiegevers op enorme, vaak nutteloze kosten gejaagd. Bovendien is er geen enkele reden om een pand dat al eeuwen scheefhangt maar verder weinig problemen oplevert, niet rustig te laten staan totdat een volgende generatie financieel wél in staat is om het te restaureren.

Vervolgens is er het onderhoud. Het onderhoud is het ondergeschoven kind van de monumentenzorg. Het is een stuk minder spectaculair dan restauratie. Voor de onderhoudskosten bestaat op dit moment geen enkel gemeentelijk subsidiekader. De Amsterdamse Westerkerk - net voor kapitalen gerestaureerd - kent geen duidelijk onderhoudsprogramma, aan de Oude Kerk wordt niets gedaan, de Nicolaaskerk wordt min of meer afgeschreven, en zo is het met veel grote monumenten. Het zou van wijs beleid getuigen meer prioriteit te verlenen aan onderhoud en beheer. Dat kan bijvoorbeeld door het onderhoud van gemeentemonumenten fiscaal aftrekbaar te stellen, zoals nu al voor rijksmonumenten geldt.

Dan is er de onevenwichtigheid in de verdeling van de schaarse subsidiegelden. De lokale politiek kan op dit gebied veel meer initiatieven ontplooien dan nu gebeurt. Wie handig is en over de goede contacten beschikt kan veel gedaan krijgen. Het monumenten-netwerk in een doorsnee stad of dorp bestaat gewoonlijk uit een paar architecten, aannemers, gespecialiseerde projectontwikkelaars, ambtenaren en een aantal goed ingevoerde particulieren. Veel gemeentebesturen laten de projecten van dit netwerk op zich afkomen, zonder zelf veel te doen. Het gevolg is een zekere willekeur in het beleid, waarbij de gewone monumenteigenaar die niet over een goede lobby beschikt het nakijken heeft. Ook daarin kan veel meer gestuurd worden dan nu gebeurt. “De gemeente Amsterdam,” zo is de mening van het Amsterdams Monumenten Fonds, “onderkent de mogelijkheden van hergebruik te weinig, besluit te gemakkelijk tot sloop of stoot die onrendabele kolossen af naar de commerciële markt. Dan wordt het pas echt lastig om er nog een betaalbare, acceptabele functie voor te verzinnen. En het gevolg is langdurige leegstand.” (De Volkskrant 29 december 1992) Waarom zou de overheid geen makelaarsfunctie kunnen vervullen en bijvoorbeeld een bureau oprichten dat er zich op richt eigenaars te zoeken voor leegstaande monumenten?

Niemand wil een stad bevriezen, maar het verleden heeft er wel recht op hinderlijk te zijn. Of we nu Amsterdam nemen of Groningen, Utrecht of Dordrecht, het gevecht speelt zich altijd weer af tussen twee wederzijdse vijandbeelden: Anton Pieck en de bulldozer. Maar dat is een schijntegenstelling. Tussen die twee extremen ligt een scala van oplossingen en nieuwe mogelijkheden. Elk gemeentebestuur is aan zijn burgers verplicht daarover na te denken en daar een visie op te ontwikkelen. Doen zij dat niet, dan is de toekomst aan verval en vervalsing. De containers van dokter De Bruin zijn geduldig.