Rol van Turkije belangrijker dan Iran of Irak

Wie een ziener de degen op de borst zet, loopt kans ontwapend te worden.

Dat bleek onlangs in Washington waar Turgut Özal, de vooruitziende president van Turkije, een bijeenkomst van een denktank bijwoonde. Hem werd gevraagd welk gevaar de fundamentalistische ayatollahs van Iran betekenen voor het Perzische-Golfgebied, Midden-Azië en andere delen van de islamitische wereld. Özal glimlachte fijntjes en vertelde bij wijze van antwoord een anekdote die de Amerikaanse bezorgdheid over Iran in het juiste perspectief plaatste. Die anekdote had hij van Rafsanjani, de Iraanse president, die begin jaren zeventig - in de tijd dat hij een dissidente shi'itische geestelijke was - Turkije bezocht op het moment dat de sjah poogde Iran om te vormen tot de industriële evenknie van West-Duitsland en een onaantastbare militaire mogendheid in het Golfgebied.

“In de jaren zeventig kon Iran voor zijn leger de machtigste Amerikaanse militaire vliegtuigen en de modernste wapens krijgen, terwijl Turkije hooguit Starfighters en ander oud materieel kreeg,” zei president Özal. En “Iran ontving in 1974 24 miljard dollar voor zijn olieproduktie” die het royaal uitgaf, terwijl Turkije niet voldoende olie kon invoeren voor verlichting en verwarming van zijn steden. Rafsanjani bezocht Turkije in die tijd voor de eerste keer en had een transistorradio bij zich die “ten minste vijftien Turken hadden geprobeerd te kopen”, zo vertelde hij Özal tijdens een recent staatsbezoek, daarmee onderstrepend hoe achterlijk Turkije destijds was geweest.

Maar Özal lachte het laatst: aan het slot van Rafsanjani's jongste bezoek “gaf ik hem bij wijze van afscheidsgroet een compleet assortiment compact disc-spelers, videorecorders en televisie-apparatuur, made in Turkey, mee naar huis,” vertelde hij met voldoening. In dat geschenk lag de vraag besloten: Welk land is nú het sterkst en het welvarendst?

In 1992 boekte Iran slechts twaalf miljard aan olie-inkomsten voor zijn onttakelde economie. Turkije daarentegen is onder leiding van Özal uitgegroeid tot een economisch sterk land en een belangrijke regionale militaire mogendheid. Op een hem typerende, ondiplomatieke wijze maakte hij duidelijk geen bewonderaar te zijn van het fundamentalistische regime in Iran: “Het Iraanse regime probeert zijn invloed naar andere landen uit te breiden, zeker. Maar die pogingen zijn niet erg overtuigend.”

Özal heeft op de hoofdpunten van zijn betoog gelijk. Amerika en zijn vrienden moeten zich zorgen maken over de bedoelingen en het militaire vermogen van de ayatollahs: zij zijn niet "gematigd' en hebben het niet goed voor met de Westerse landen. Maar Amerika moet niet te fel op Iran reageren of het land overschatten. De regering-Clinton mag niet dezelfde fout maken als de regering-Bush en het beleid verdraaien om een mogelijke toekomstige Iraanse dreiging het hoofd te bieden. Dat was het kernpunt in de rampzalige beslissing van Bush om Saddam Hussein het voordeel van de twijfel te gunnen - tot aan de inval in Koeweit.

Een groot deel van degenen die Bush destijds maanden Saddam te ontzien om een Iraanse dreiging te verijdelen - dus een vermeend geringer kwaad in te zetten tegen een groter kwaad - betoogt nu opnieuw dat het vormen van een front tegen Iran de hoogste prioriteit in de regio dient te krijgen. De impliciete stelling dat president Clinton de houding van de VS jegens Saddam moet versoepelen in het kader van een heroverwogen beleid voor het Golfgebied, klink dit keer minder luid, maar toch duidelijk door.

Toen de voormalige Amerikaanse ambassadeur in Ankara Morton Abramowitz president Özal vorige week introduceerde op een bijeenkomst van de Carnegie-stichting voor internationale vrede, onthulde hij dat Özal president Bush tijdens een ontmoeting in diens werkvertrek had gewaarschuwd dat zijn gevaarlijkste vijand niet Iran was maar Saddam Hussein. Hij had erop aangedrongen de Iraakse dictator de wacht aan te zeggen in plaats van hem in de watten te leggen.

“Die waarschuwing ging in beleidsoverwegingen verloren,” tekende Abramowitz spijtig aan, en hetzelfde gold voor Özals advies aan Bush, in de laatste dagen van de Golfoorlog, Saddam ten val te brengen en hem niet te laten zitten waar hij opnieuw onheil kon stichten.

Iran is niet de spil van de woelige, door moslims bewoonde regio tussen de Middellandse Zee en de Indische Oceaan - Turkije wel, zoals president Özals plagerijtje aan het adres van Rafsanjani suggereert.

Of Turkije versterkt dan wel verzwakt is door de enorme moeilijkheden en mogelijkheden waarvoor het land zich geplaatst ziet - de directe of potentiële betrokkenheid bij de conflicten in Bosnië, de Middenaziatische ex-Sovjetrepublieken, Irak, Iran, Libanon en Cyprus - zal de komende jaren een belangrijke strategische kwestie zijn op de internationale politieke agenda.

“De Turken zien thans hoe van Joegoslavië tot Irak, China en Siberië Turkse gemeenschappen de kop weer opsteken, terwijl hun pers meldt dat het Turks in aantal sprekers de vijfde taal ter wereld is,” schrijft Graham E. Fuller, adviseur bij Rand Corporation, in een recent onderzoek "Turkije blikt naar het Oosten' (Turkey Faces East). “Men hoort tegenwoordig in Turkije telkens herhalen dat de 21ste eeuw de eeuw van de Turken wordt.”

Özal doet niet van zulke apodictische voorspellingen. Maar hij herinnert zich wel nog een laatste opmerking die hij tegen Bush heeft gemaakt: “Het mondiale conflict tussen communisme en kapitalisme zal plaatsmaken voor een mondiaal godsdienstig conflict. Als we met z'n allen deze crises verkeerd aanpakken, wordt dat een conflict tussen de islam en het christendom. Dat moeten we zien te voorkomen.”

© NRC Handelsblad/The Washington Post.