Richard Cory

Het begon met een gedicht. Edwin Arlington Robinson (1869-1935) schreef het: ”Richard Cory'.

Over een man die door iedereen wordt benijd om zijn beschaafd voorkomen, zijn rijkdom en zijn goede manieren. ”En hij was nooit opzichtig gekleed/ En verhief nooit zijn stem wanneer hij sprak/ Maar toch deed hij de harten sneller kloppen wanneer hij alleen maar zei,/ ”Goedemorgen' en er flonkerde iets in de manier waarop hij liep.' Ik zie hem voor me, aan de andere, zonnige kant van de straat, een statige man in een laat-negentiende-eeuws kostuum, met een breedgerande hoed, een knevel zo groot als de hoorns van een bizon, en een wandelstok met zilveren knop. En net als alle andere arme sloebers in de stad knipper ik tegen het licht van zijn verschijning en groet hem met de pet in de hand, onderdanig en niet maar een beetje jaloers. ”Kortom, wat ons betreft had hij alles/ Wat een mens zich maar wensen kan/ En wij zwoegden voort, en wachtten op het licht/ En stelden het zonder vlees en vervloekten het brood/ En Richard Cory kwam, op een stille zomeravond,/ Thuis en joeg zich een kogel door zijn kop.'

Geld maakt niet gelukkig. De burgermansmoraal triomfeert. Is dat het? Songschrijver Paul Simon dacht van niet. Gefascineerd als hij (gevoelige jongeman met poëtische aspiraties) was door vervreemding en zelfmoord, thema's die hij ook al had verkend in ”A most peculiar man', bewerkte hij het gedicht van Robinson tot een lied, dat te vinden is op de tweede Simon & Garfunkel elpee Sounds Of Silence. Met op de hoes de beide troubadours omkijkend op een bospad: het avontuur tegemoet, maar wel met een lekkere dikke sjaal à la Aristide Bruant om de bleke nek geslagen, en om zes uur thuis). Simon brengt het beeld van Richard Cory up to date. De ”gentleman from sole to crown' van Robinson is nu een buitengewoon succesvol zakenman met ”political connections to spread his wealth around'. Een ”banker's only child' met ”everything a man could want: power, grace and style', die regelmatig de societypagina's haalt (”Richard Cory at the opera, Richard Cory at a show'), en soms de roddelpers (”the rumors of his parties and the orgies on his yacht'). Maar wat ingrijpender is, Simon verschuift het perspectief van het anonieme ”wij, de mensen van de straat' naar het veel subjectiever ”ik'. ”And I work in his factory/ And I curse the life I'm living/ And I curse my poverty/ and I wish that I could be/ Richard Cory.' Daarmee brengt hij onze verbijstering over het feit, dat deze man, die kennelijk alles had behalve iets om voor te leven, opeens de hand aan zichzelf slaat, dichter bij huis. ”So my mind was filled with wonder when the evening headlines read/ that Richard Cory went home last night and put a bullet through his head.' Volgen een paar droge klappen op de snaredrum bij wijze van pistoolschoten en Simon & Garfunkel komen nog eenmaal terug met het refrein (”But I, I work in his factory etc.'). Een herhaling die op het eerste gehoor triviaal lijkt - bijna elke song eindigt met nog eenmaal het refrein - en zonder de interpretatie van Van Morrison, uit de tijd dat hij nog als angry young man zanger van de groep Them was, had ik er verder nooit iets achter gezocht.

Bij het duo van ”Bridge Over Troubled Water' blijft de indruk overheersen van twee frisse koorknapen die het liefst met elkaar op hun jongenskamer gedichten voorlezen en die misschien ooit wel eens (maar nooit weer) tijdens een vakantie in een fabriek een weekje doppen op potten augurken hebben geschroefd. Wie echter Van Morrison de woorden van Richard Cory als evenzovele kiezelstenen in zijn keel hoort rondgorgelen en vervolgens als pruimtabak weer uitspuwen, ziet hem dag in dag uit en met het vooruitzicht van altijd en altijd 's ochtends vroeg door de troosteloze straten van Belfast sjouwen op weg naar de beroete muren van de fabriek, waar Richard Cory directeur van is. En wanneer hij na de laatste fatale drumklap bijna manisch blijft herhalen ”I wish that I could be, I wish that I could be, juist liiiiiiike Richard Cory', tot zijn stem wegsterft in het suizen der vergetelheid, dan begrijp je met schrik dat hij, allesbehalve troost te putten uit enig ”als je maar gezond bent' of ”geld maakt niet gelukkig', daarmee zeggen wil, dat hij de fatsoenlijke armoede van zijn eigen leven nog steeds zonder enige aarzeling zou inruilen voor een vleugje van de ”power, grace and style' van dat van zijn baas, ook al is daar onafwendbaar een kogel in de kop bij inbegrepen.