OP EEN KEER

De schildpad wilde heel graag eens een keer brullen. Een jaar lang spaarde hij al zijn geluiden op. Hij zweeg, schuifelde zo zachtjes mogelijk, krabde zich onhoorbaar achter zijn oor en zuchtte niet meer.

Op het feest van de hagedis, toen iedereen zat en net begon te eten, sperde bij plotseling zijn mond open en brulde.

Hij brulde zo hard dat iedereen met stoel en al omviel. Taarten vlogen weg en bleven in de toppen van de bomen hangen, en de hagedis zag al zijn cadeaus in de wolken verdwijnen.

Daarna hield de schildpad zijn mond weer. Even was het heel stil. Toen zei hij zachtjes:

"Dat was hard, hè?'

Hij zei het tegen niemand in het bijzonder. Maar de eekhoorn die vlak naast hem op de grond lag dacht dat de schildpad het aan hem vroeg en zei:

"Ja.'

Het feest was meteen voorbij. Haastig en in hun jassen weggedoken gingen de dieren weg, terwijl de hagedis somber onder een paar dorre takken kroop.

Alleen de beer klom nog in de eik om daar verder te eten van een honingtaart die aan een tak hing, en de pad vond het zonde om naar huis te gaan zonder te dansen. Heel even danste hij, met zijn ogen dicht, tussen twee gevallen stoelen.

De schildpad ging alleen naar huis.

Het was echt hard, dacht hij. Zijn ogen glinsterden.

Even verderop dacht hij: als je heel lang niet kijkt en je ogen dichthoudt en ze opeens opendoet, zou je dan ook heel veel zien, opeens?

Het was nog vroeg in de avond. De zon scheen tussen de onderste takken van de bomen door. De schildpad nam zich voor om nog lange tijd na te genieten. Wat was dát hard, dacht hij.