Nog hebben de fabeldieren hun stad niet verlaten; De laatste resten van het mystieke Praag

De jonge joodse schrijvers die tussen 1870 en 1900 in Praag geboren werden, zochten hun identiteit in de assimilatie met de Duitse cultuur. Vervreemd van hun religieuze wortels, en in een stad die hen afwees, schreven Kafka, Brod en Rilke hun romans en gedichten in het "Prager Deutsch', een geïsoleerde taal in een volstrekt Tsjechische omgeving. Is er in het huidige Praag, met zijn nieuwe magie van hamburgers en Kafka-musicals, nog iets van het Prager Deutsch terug te vinden?

Jüdisches Städtebild Prag. Samenstelling: Ingeborg Fiala-Fürst (met 27 foto's van Jan Parik). Uitg. Jüdischer Verlag, Frankfurt am Main, 307 blz. Prijs ƒ 76,- De roman Droom van mijn vader van Karol Sidon verschijnt eind maart bij uitg. Wereldbibliotheek. Vert. Edgar de Bruin, 160 blz. Prijs ƒ 27,50.

Er is een manier om nog iets te ervaren van de geheimzinnigheid en mysterieuze mythes waarop de stad Praag zich al eeuwenlang beroemt. Dat is midden in de winter om zes uur 's avonds bij de Oud-Nieuwe synagoge, in het centrum van het voormalige joodse getto, een afspraak maken met de rabbi van de stad, tevens opperrabijn van het voormalige Tsjechoslowakije. De onafzienbare zwerm toeristen die sinds de fluwelen revolutie de stad teistert, warmt zich dan in de cafés aan alcoholische versnaperingen en de stad kan even tot zichzelf komen.

Het zachte, gelige licht van de straatlantaarns in de stikdonkere avond rondom de synagoge lijkt net zo oud als het hobbelige straatje van middeleeuwse kinderkopjes waarop het schijnt. De wijzers van de klok op het joodse raadhuis tegenover de synagoge gaan heel toepasselijk niet met de klok mee, maar bewegen zich in tegengestelde richting en lijken zo tegen de tijd in te gaan. De Oud-Nieuwe synagoge wordt niet meer bestookt door de kakofonie van Italiaanse, Duitse en Amerikaanse reisleiders die met stemverheffing hun toeristische litanieën afdraaien en die daardoor juist de mysteries smoren waar de vakantiegangers op af gekomen zijn. Zoals de wijze waarop deze synagoge, de oudste nog in gebruik zijnde van Europa, in 1270 in Praag terecht kwam. Volgens de ene legende brachten engelen de muren van de synagoge direct over van de puinhopen van de tempel in Jeruzalem. Onder de voorwaarde dat de stenen weer op hun plaats teruggebracht moesten worden wanneer de joden weer in staat waren de tempel in Jeruzalem op te bouwen. De synagoge van Praag zou dus voorwaardelijk opgericht zijn. Voorwaardelijk is in het Hebreeuws "alt-nai'. Dat werd al snel in het Duits verbasterd tot "alt-neu'. De naam was derhalve gebaseerd op een misverstand.

Een andere legende vertelt dat op deze plaats een veld was, vol met onkruid, waar de kinderen vaak speelden. Toen de joden onderling aan het bekvechten waren over de juiste plaats om de synagoge te bouwen, kwamen de kinderen naar hun vaders om iets merkwaardigs te melden dat ze bij het wroeten in de aarde gevonden hadden. Onder de grond hadden ze op elkaar gestapelde stenen ontdekt, die op het fundament van een gebouw leken. Oude vrouwen zwoeren bij hoog en bij laag engelen in de schemering gezien te hebben, die de stenen uit Jeruzalem heimelijk in de aarde hadden begraven. "Voorwaar', sprak de rabbi, "zo heeft God zelf ons de plaats van de nieuwe synagoge aangewezen.' Daarop begonnen de metselaars nieuwe stenen op de oude te metselen. Later zou de tempel daarom de Oud-Nieuwe synagoge genoemd worden.

Duiven

God hield altijd een oogje op het gebouw: zo wordt er bericht dat tijdens de grote brand in de zestiende eeuw, die een groot gedeelte van het getto in de as legde, er twee sneeuwwitte duiven boven de synagoge verschenen. De duiven, aangevlogen uit Jeruzalem, sloegen hun vleugels zo krachtig uit dat de vlammen door de hevige luchtstroom de synagoge niet konden bereiken.

Wanneer de dienst uitloopt en ik alvast in het voorportaal word binnengelaten om daar op de rabbi te wachten, zie ik de donkere plekken op de muur die hier en daar door het witte pleisterwerk heenschijnen. Die plekken herinneren aan het gruwelijke pogrom van 1389, toen het christelijk gepeupel tot in de synagoge wist door te dringen en alle joden afslachtte, die daar hun toevlucht gezocht hadden. De toenmalige rabbi gelastte om het bloed van de slachtoffers niet van de muren te wassen, als teken van altijddurende herinnering.

Op de zolder van de synagoge liggen, volgens de overlevering, de stoffelijke resten van de golem, een levend wezen gemaakt uit klei door rabbi Löw (1512-1609), die honderd meter verder op het oude joodse kerkhof begraven ligt. De golem diende niet alleen als hulp in de huishouding, maar ook als beschermer van het getto tegen aanvallen van buiten af. Om de golem niet in zijn eeuwige rust te storen verbood het rabbinaat iedere sterveling om ooit de zolder van de synagoge te betreden. De golem, de voorloper van het monster van Frankenstein, kwam volgens de joodse schrijver Friedrich Torberg, nog eenmaal spontaan tot leven. Dat was tijdens de Tweede Wereldoorlog toen de SA het plan opvatte om de synagoge heimelijk in de nacht met brandfakkels aan te steken. De volgende dag werden de gedoofde brandfakkels teruggevonden, uitgetrapt door voeten zo groot dat ze alleen maar van de golem konden zijn.

De Praagse schrijver Gustav Meyrink schreef: "Sinds ik Praag verlaten heb leef ik, twee jaren in Wenen niet meegerekend, in Duitsland en heb ik vele Duitse steden gezien, ook steden die dezelfde mooie middeleeuwse gebouwen hebben als Praag en een even bloedig verleden; toch trilt in geen van die steden die niet te vatten merkwaardige stemming mee. Ze zijn gedesinfecteerd en men loopt er doorheen als door doodvervelende musea.' Franz Kafka schreef in 1902 aan zijn vriend Oskar Pollack: “Praag laat niet los. Ons allebei niet. Dit moedertje heeft klauwen. Daar moet men zich voegen of... We zouden het op twee plaatsen moeten aansteken, bij Vysehrad en op het Hradschin, dan komen we er misschien van los.”

Eenling

Deze verhalen en vele andere over het joodse getto in Praag zijn onlangs in het Duits bij elkaar gebracht onder de titel "Praag, een joods stadsgezicht', uitgegeven door het Jüdischer Verlag in Frankfurt. De brief van Kafka is er niet in opgenomen, omdat de keuze van de fragmenten zich helaas beperkt tot de eendimensionale nostalgie en daarom geen plaats heeft voor een kritische blik. Zo is er ook geen fragment opgenomen uit De Verminkten van Hermann Ungar, waarin het lot van de eenling in de onverschillige grote stad beschreven wordt. Het overgrote deel van de verhalen is geschreven door joodse schrijvers, die tussen 1870 en 1900 in Praag geboren zijn. Een aantal van hen heeft het tot wereldroem gebracht zoals Max Brod, Rainer Maria Rilke en Franz Kafka. En in mindere mate Leo Perutz, Franz Werfel en Egon Erwin Kisch.

Het bijzondere van deze schrijvers was dat ze hun romans, verhalen en gedichten in het zogenaamde Prager Deutsch schreven. Prager Deutsch was in 1918 eigenlijk bijna een anomalie geworden, een geïsoleerde taal in een volstrekt Tsjechische omgeving, en bovendien ook nog de taal van de vroegere Habsburgse onderdrukker. Toen Tsjechoslowakije in 1918 onafhankelijk werd, nam het aantal Duitssprekenden in Praag zienderogen af, maar het Prager Deutsch bleef als schrijftaal gehandhaafd. De generatie van Kafka en Brod had aan het begin van de eeuw veel moeite gedaan om aansluiting te vinden bij de Tsjechische literatuur. Dat stuitte op een muur van antisemitisme en radicaal nationalisme. Voor de Tsjechische schrijvers stonden de joodse schrijvers in Praag gelijk aan het Duits van de gehate keizer Franz Josef in Wenen en aan het kosmopolitisme, de aartsvijand van hun nationalisme. De jonge joodse schrijvers en intellectuelen uit die tijd, nog weinig verbonden met de joodse religie, zochten voor het overgrote deel hun identiteit daar waar ook de Oostenrijkse en Duitse joden haar zochten: in de assimilatie met de Duitse cultuur. Alleen al hun nieuwe voornamen zoals Franz, Max en niet te vergeten Sigmund wezen duidelijk in die richting. Vervreemd van hun religieuze wortels, schreven zij hun boeken in een taal die vervreemd was van de Tsjechische omgeving, in een stad die hen afwees. Ideale omstandigheden om, zoals in het geval van Kafka, het levensgevoel van de twintigste eeuw, de vervreemding, te verwoorden.

Later, in 1938, toen Tsjechoslowakije zijn onafhankelijkheid verloor, moesten deze voorvechters van de Duitse cultuur voor het Duitse antisemitisme vluchten. Zij die dat niet deden, werden in de concentratiekampen vermoord.

Wodkafles

Is er in het huidige Praag nog iets van dat Prager Deutsch overgebleven? Dat is de belangrijkste vraag die ik rabbi Karol Sidon, die ook zelf schrijft (in maart verschijnt de Nederlandse vertaling van zijn debuutroman Droom van mijn vader), te stellen heb. Als hij eindelijk met een kleine schare, vooral oudere, volgelingen uit de gebedsruimte komt, blijkt hij bijna samen te vallen met mijn voorstelling van dé rabbi: een grote ronde hoed, een niet al te volle halflange baard, een wijs-ironische oogopslag en een buik met een omvang die getuigt van levensgenot. (“Laten we die wodkafles maar even wegzetten,” zegt hij later tijdens het interview, “die hoeft niet per se op de foto”).

Hij spreekt een Duits dat flink onder het niveau van het Prager Deutsch ligt, ondanks het feit dat hij zeven jaar lang om politieke redenen in ballingschap in Duitsland verbleef: “De joodse literatuur in dit land, die in het Duits geschreven was, heeft door de gevolgen van de Tweede Wereldoorlog definitief opgehouden te bestaan. De joodse schrijvers van vandaag voelen zich veelal deel van de Tsjechische cultuur.” Sidon kan zich het gevoel van Meyrink als balling in Duitsland heel goed voorstellen: “De steden in Duitsland hebben volstrekt geen ziel. In Duitsland is er altijd iets wat ik niet verklaren kan. dat is niet alleen de orde en netheid op straat, maar ook de orde in het hoofd. Dat is alles zo anders dan hier in Praag, in Wenen of in Polen.”

Hij voelt zich niet geroepen om joodse schrijvers tot de orde te roepen of in een andere richting te stimuleren: “Ons streven is een heel ander. We proberen niet om de de geassimileerde joodse cultuur van toen weer te doen herleven. Maar we zoeken een weg naar ons zelf. Een paar golven zijn nu voorbij, een van de sterkste was de assimilatie, toen kwam de Shoa en daarna het communisme. Nu zijn we in een situatie dat we geen andere weg voor ons hebben als joden om ons zelf weer te vinden. Dat wil zeggen de verbinding met het eigen volk weer te herstellen, met de traditie, met het eigen land en natuurlijk met Israël.”

Sidon schetst de ontwikkeling van de grote bloei van joodse wetenschap en cultuur in Praag tijdens de Middeleeuwen en de Renaissance (Praag kreeg toen de eretitel: Moeder van Israël) tot aan de neergang door assimilatie, antisemitisme en antizionisme. Het heeft zijn gemeente gedecimeerd, maar door de omwenteling van 1989 heeft hij weer wat hoop gekregen: “De communistische regering van voor 1989 was zeer beslist antisemitisch en noemde dat dan antizionisme. De joodse gemeente werd door de communisten bewust tussen leven en dood gehouden. Toen waren er mensen die zich niet bij ons aan durfden te melden. Nu, na 55 jaar kan de gemeente weer vrij leven. In onze gemeente zijn nu tussen de 1000 en 1200 joden geregistreerd. Maar”, en hij lacht hard, “er lopen natuurlijk ook veel "illegale' joden vrij rond. Misschien duizend of tweeduizend. Als God wil helpen kunnen we misschien op een kleine bloei rekenen.”

Souvenirwinkel

De beroemdste jood van Praag valt inmiddels bijna op geen straathoek meer te ontlopen. Er is zelfs een theater naar hem genoemd, waar scènes uit zijn leven worden gespeeld. In Prager Deutsch, dat spreekt. Voor wie dat nog niet genoeg is, kan in elke zichzelf respecterende souvenirwinkel een t-shirt met zijn ingevallen gelaat erop kopen, met daarachter de contouren van het oude getto. Franz Kafka is overal. Bij Alfred Story kunnen we volgens de aanplakbiljetten "een unieke voorstelling meemaken over het oude Praag met jiddische liedjes en anekdotes in Duits, Engels en Italiaans'. Rabbi Sidon: “De handel die daar bedreven wordt is geen joodse handel. Dat doen de Pragers, die verdienen geld aan de verbinding tussen de joodse geschiedenis en de stad Praag. Dat is niet aangenaam, maar het bestaat. Daar kan je niks tegen doen. Maar met de joodse cultuur heeft het helemaal niets te maken.”

Ik kies voor Franz K. in het Franz Kafka theater. Het is het leven van Kafka in de vorm van een Joop van den Ende produktie: een biografie bestaande uit liedjes, sketchjes en dansjes. Met als middelpunt de liefdesperikelen met zijn vier eeuwige verloofdes Felice, Julie, Milena en Dora. Het is ver voorbij de grenzen van de kitsch. Het leven van Kafka als revuevoorstelling. Tegen zoveel vervreemding moet zelfs de schepper van het begrip het afleggen. Zo verwordt de eens roemruchte joodse cultuur van Praag tot een derderangs vaudeville voor toeristen.

Arno Park is medewerker van het Joods Museum in Praag en heeft zich verdiept in de joodse en Tsjechische literatuur: “Het opvallende is dat er in de jaren zestig en zeventig in de samizdat een boom was van joodse schrijvers met joodse thema's zoals de holocaust en het daarmee gepaard gaande failliet van het individu. Die thema's zijn nu geheel verdwenen, ook bij de joodse schrijvers. Misschien zou u in deze tijd een literaire verwerking verwachten van de periode 1968-1989. Maar dat is nauwelijks het geval. Volgens mij komt dat door het gebrek aan menselijk drama in die periode. Het was een tijd van calculatie en aanpassing aan het systeem. Blijkbaar is dat geen dankbaar literair onderwerp. Op dit moment is er helemaal geen oriëntatie, omdat de maatschappij helemaal op zijn kop staat. Schrijvers zijn gevoelig en voelen dat haarscherp aan. Zij, en wij, leven in een geestelijk en intellectueel vacuüm. Dat wordt nu opgevuld door het Amerikanisme.

“De Polen en Slowaken verwijten ons dat we geen ruggegraat hebben omdat we ons overleveren aan de Amerikaanse cultuur. Dat is waar, misschien ook vervelend, maar wel verstandig. U moet niet vergeten dat Praag voor 1938 altijd een internationale stad geweest is, die veel invloeden van buiten toeliet. Wij zijn blij dat de mensen van overal naar Praag komen. Zo was het vroeger ook. Op dit moment zijn er heel veel studenten, vooral uit Amerika, die naar Praag komen uit een soort nostalgie naar het Praag van Kafka aan het begin van deze eeuw. Die blijven hier dan een tijdje wonen. Misschien levert dat over een aantal jaren wel weer nieuwe literatuur over de stad op. Niet geschreven in Praag, ook niet in het Prager Deutsch, maar in het Engels ergens in Amerika.” Toch stoort Park zich aan de uitwassen die het oprukken van de consumptiemaatschappij tot gevolg heeft: “Wij hadden vroeger prachtige trams, die met hun kleurencombinatie heel subtiel bij de kleur van de stad pasten. Nu zitten de trams helemaal onder de reclameborden. Dat is verontrustend.”

Kantoortjes

Wie Praag voor de omwenteling van 1989 heeft gekend staat verbluft over de metamorfose van de stad. Alles lijkt in de ban van de nieuwe magische wereld van laserprinters, makelaarskantoren, hamburgers en disco's. De hele binnenstad is bezaaid met chique kantoortjes om westerse valuta te wisselen. Hun aantal overtreft verre de vroegere verkooppunten van het partijblad Rude Pravo. Het makelaarskantoor vlak bij het Wenceslasplein heet Wall Street, het hotel verderop Chicago. Schuin onder het beroemde balkon op het Wenceslasplein waar Havel in november en december 1989 zijn redevoeringen hield zetelt Mac Donald's. Een advertentie meldt: "Chicago's famous Pizza. Baked fresh daily in Prague! Call for delivery.' Hotel Diplomat slaat zich op de borst omdat zijn banketbakkers er in geslaagd zijn om van marsepein en chocola een exacte kopie van een coca-colafles te vervaardigen van 128 kilo en 2 meter lang. Golem, Praags culturele stadsgids die maandelijks verschijnt, heeft als inleidende tekst: "Zo, waar gaan we vandaag naartoe? Naar het motto tijd is geld, wil ik U op de hoogte stellen van de nieuwe service, die de banken van Praag U bieden.'

Een andere wervende tekst op een folder voelt de onherroepelijke gevolgen van de nieuwe tijd goed aan: "Nog is het niet zover. Nog hebben de fabelwezens hun stad niet verlaten."

Hier is de ironie van de geschiedenis aan het werk. Want veertig jaar stilstand onder het communisme hebben de stad onder een glazen stolp gehouden en zo ook, ongewild, de sporen van het oude Praag vol met fabels, bewaard. Nu worden in een gerechtvaardigde honger naar vrijheid en welvaart in ijltempo de laatste resten sporen! van het mystieke Praag uitgewist.

Ook 's avonds op een verjaardagspartijtje van Fürst Karl von und zu Schwarzenberg in het vooraanstaande hotel Manes aan de Moldau wordt de nieuwe tijd zichtbaar. Schwarzenberg, telg uit een eeuwenoud adellijk geslacht dat bijna half Bohemen in zijn persoonlijk bezit had, Tsjech van geboorte maar sinds 1948 als balling in Wenen levend, is als vooraanstaand mensenrechtenactivist door Havel in 1990 naar Praag gehaald. Daar werd hij benoemd tot kanselier van het kabinet van de president.

De Fürst, zoals hij in Wenen genoemd wordt, mengt zich in het gesprek dat de gemoederen bezighoudt: het verlies aan populariteit van Havel. Die lijkt daar zelf op het feestje overigens niet onder gebukt te gaan. Schwarzenberg: “Kijk eens, wie ooit op een boerderij gewerkt heeft, weet dat wanneer je een stal uitmest, je zelf tenslotte ook gaat stinken. Als je dan uit de stal in het huis komt, dan kijken de mensen je aan en vragen: Zeg, waarom stink jij zo?" ”

Ondertussen zingen aantrekkelijk ogende dames wijsjes van Glen Miller begeleid door een big band. Maar dé personificatie van de nieuwe tijd is de verschijning van Schwarzenberg zelf. Onder valse voorwendsels door Havel naar dit verrassingsfeest gebracht, draagt hij nog zijn alledaagse kleren. Als een Tsjechische centaur beweegt hij zich onbekommerd tussen de gasten: van boven helemaal vorst in een duur colbert van schotse tweed, engels overhemd en passende das. Beneden helemaal cowboy met een versleten spijkerbroek en puntige Texaanse cowboylaarzen.