Massale acties voor regeringssteun aan truckfabriek; Strijdbare stemming in Leyland

LEYLAND, 5 FEBR. De stemming in het onooglijke stadje Leyland, de bakermat van Leyland Motor Corporation, is duidelijk strijdbaarder dan bij voorbeeld bij de eveneens met sluiting bedreigde vestiging van Leyland-DAF in Birmingham.

Vanochtend om tien uur begon op de Centurion Way tegenover het hoofdkwartier van Leyland-DAF, Lancaster House, een protestmars van de 2500 werknemers van de vestigingen van het concern in Lancashire in Noordwest-Engeland. Op de eerste rij liep de lokale vakbondsman Derek Bullen. Dinsdagmiddag al improviseerden circa duizend arbeiders een massabijeenkomst op Centurion Way toen de omvang en de waarschijnlijke gevolgen van de financiële crisis bij DAF net duidelijk was. “Als we ons niet keihard opstellen gaan jullie en je families schrikbarende tijden tegemoet”, had Bullen de mensen voorgehouden. We zitten allemaal in hetzelfde schuitje, of je hier nu veertig jaar of veertig dagen werkt.”

Gistermiddag verzamelde Bullen met zijn kaderleden handtekeningen in het centrum van Leyland om de regering te bewegen tot steun aan het concern. “Maar wat de mijnwerkers voor elkaar kregen, is voor ons niet weggelegd”, meent hij nu al te weten.

Het stadje Leyland ligt nagenoeg aan de snelweg die Londen verbindt met Schotland op twee uur rijden van Birmingham. Armoedige laagbouw kenmerkt dit uit zijn krachten gegroeide dorp, maar de industriële tradities mogen er wezen. In 1896 ontstond hier de Lancashire Steam Motor Company die een toonaangevende rol vervulde in de Industriële Revolutie. In 1903 werd de naam omgevormd tot Leyland Motors, die stond voor de produktie van trucks en autobussen. In beide wereldoorlogen vervulde het bedrijf een belangrijke rol in de levering van wapentuig voor de geallieerde troepen. De namen op en rond de fabrieksterreinen van Leyland-DAF herinnerden aan die glorierijke dagen. Zo was Lancaster de naam van een bommenwerper in de Tweede Wereldoorlog en de naam Centurion stond in diezelfde periode voor een tank met een imponerende reputatie.

Fusies met andere Britse fabrieken van motoren en vrachtwagens leidde in de jaren vijftig tot de positie van 's werelds grootste producent van trucks en autobussen. De concurrentie op de wereldmarkt nam in die jaren enorm toe, maar een fusie in 1968 met British Motor Holdings - waar inmiddels grote namen als Austin, Morris, Jaguar, Wolseley en Riley participeerden - leverde onder de naam British Leyland Motor Corporation behoud op van een vooraanstaande positie: vijfde fabrikant van de wereld en in Europa de tweede positie achter Volkswagen.

In de tweede helft van de jaren zeventig ging het bergafwaarts. Wat in 1978 resulteerde in het verwijderen uit de firmanaam van British omdat dat woord een negatieve uitstraling had. Een laatste succes kwam in 1981 toen het vrachtwagentype Roadtrain de titel "truck van het jaar' verdiende. In 1986 veranderde het concern de naam nog in Rover Group, maar ook die stap keerde de financiële tegenslagen niet, tot er ten slotte sprake was van een verlies van een miljoen pond per week. De overneming door DAF in 1987 werd ervaren als een geschenk uit de hemel, al wordt daarover inmiddels anders gedacht.

De werkloosheid in Leyland was tot nog toe achtergebleven bij het cijfer van 10,9 procent dat geldt als gemiddelde voor heel Lancashire. Het stadsbestuur ontleende daaraan een zekere trots die het zicht op de werkelijkheid kennelijk versluierde. “Twee dagen voor de klap kwam, verklaarde de burgemeester nog dat Leyland zo goed scoorde op de markt van de werkgelegenheid”, zegt de verkoopster in de boekwinkel. “Kennelijk poep in zijn ogen.”

De bevolking van Leyland is hardvochtig gewekt. Als in een eenvoudige eetgelegenheid aan de Hoofdstraat het zes-uur-nieuws op de televisie meldt dat de verkoop van Leyland-DAF in januari 46 procent achter is gebleven bij de cijfers van januari vorig jaar, is de neerslachtigheid bijna tastbaar.