Knoflook poten

Els Pelgrom, schrijfster van onder andere Kleine Sofie en Lange Wapper en De eikelvreters, woont in Granada, een stad in het zuiden van Spanje. Om de week zal zij een brief sturen naar de Kinderpagina.

Je ziet bij ons nog vaak dat mensen op straat een vuurtje stoken. Een man of een vrouw die op straat groente verkoopt, hakt een kistje aan stukken en steekt er de brand in. Ze warmen zich een beetje, tot de klanten komen. En die komen in de winter niet vroeg.

Vlak bij ons, in de bocht van de weg, woont een man die vaak 's avonds voor zijn huis een vuur stookt. Er blijft altijd wel iemand staan om wat te kletsen. Soms is het een hele troep. Op een keer begon het te sneeuwen, maar iedereen bleef.

Die buurman heet Pepe, maar wordt Pepeló genoemd. Omdat hij nog al eens in een "ló' terechtkomt, wat zoveel betekent als "een toestand'. En dat komt doordat hij het niet voor elkaar krijgt om ooit een keer niet te liegen. Zelf zegt hij: “Als Pepeló de waarheid zegt, vallen allebei zijn ogen uit zijn kop.” En hij heeft ze nog allebei. Toen het zo sneeuwde was er ook een klein meisje bij, zijn dochtertje. Ze had een pop die kon lachen en huilen. “Als de batterij op is, hebben we weer rust,” zei Pepeló. “Maar goed ook, want mijn vrouw is alweer in de achtste maand.” Zijn vrouw is geweldig dik; ze weegt meer dan honderd kilo. Ze lachte alleen een beetje.

Toen we dit jaar knoflook gingen poten was het erg koud. Knoflook poten doe je in de late herfst. Je kunt het treffen dat het dan warm is; zelfs in de winter kan de zon hier flink branden. Maar deze keer vroor het toen we op het land kwamen. De planten beneden langs de rivier zagen wit van de rijp. Het eerste dat we deden was takken bij elkaar zoeken om een vuur te maken. Het land was al eerder klaargemaakt: de aarde in rijen opgehoogd en ertussen geulen, waar later het water doorheen moet lopen voor het bevloeien.

We hadden op de markt een zak dikke bollen knoflook gekocht. Die gingen we eerst pellen en de tenen lostrekken. Toen dat klaar was, legden we een stuk of twintig van de bollen in de gloeiende as. Ze mochten niet verbranden maar moesten wel van binnen zacht worden. Daarna duwden we de tenen knoflook een voor een in de aarde, aan weerskanten van de opgehoogde richels. Toen we het hele veldje hadden volgepoot, haalden we de knoflook uit de hete as. Terwijl we zaten te eten, kwam de zon boven de bergen uit. We konden een trui uittrekken. Wat is dat lekker, die zachte hete knoflook op je brood.