Kijk uit achter je!

Hans Hagen, De weg van de wind. Met illustraties van Roelof van der Schans. Uitg. Van Goor. Prijs ƒ29,90. Vanaf 12 jaar.

In de jaarlijkse Griffel-competitie was vorig jaar een glansrol weggelegd voor auteur Hans Hagen, van wie maar liefst drie titels waren doorgedrongen tot de laatste ronde. Hagen kreeg een Vlag en Wimpel (voor zijn boek voor kleuters Jubelientje en haar liefste oma) en twee Zilveren Griffels, waaronder één voor zijn historische jeugdroman Het gouden oog.

Dat laatste boek viel onder meer op door de bijzondere historische setting. In de Nederlandse jeugdliteratuur, waar negen van de tien historische jeugdromans zich ofwel in de middeleeuwen (Thea Beckman) ofwel in de zeventiende eeuw (het Bontekoe-effect) afspelen, is een boek waarin de schrijver meer dan vierduizend jaar teruggaat in de tijd een unicum. Dat hij zich daarvoor ook nog eens in een andere cultuur heeft moeten verplaatsen spreekt vanzelf, maar vergde van Hagen tevens een dubbele inzet.

Hoofdpersoon in Het gouden oog is de twaalfjarige Yarim, die 4400 jaar geleden leefde in het huidige Irak. Hagen beschrijft hoe Yarim door zijn vader noodgedwongen als slaaf wordt verkocht en vele beproevingen moet doorstaan voordat hij zich, wegens betoonde moed, weer vrij mag noemen. In zijn nawoord liet Hagen al weten dat Het gouden oog tijdens het schrijven een heel andere wending had genomen dan aanvankelijk de bedoeling was geweest, en daarom kondigde hij meteen maar een volgende boek aan over Yarim. Dat er nu, na anderhalf jaar, ook gekomen is: De weg van de wind.

In De weg van de wind gaat Hagen verder waar Het gouden oog eindigde: Yarim leeft thans in de stad Kish, als boodschapper van koningin Ku Bau, die hem eerder zijn vrijheid teruggaf. Een sprinkhanenplaag vormt de inleiding op een reeks grote en kleine rampen die de stad en haar inwoners teistert. Omdat het zaak is Zababa, de beschermgod van de stad, gunstig te stemmen, moet koningin Ku Bau wel gehoor geven aan de goddelijke opdracht "een huis onder de aarde' te bouwen. Evenals in Het gouden oog vlecht Hagen twee verhaallijnen door elkaar, in dit geval die van Yarim en de verteller Nanshe, die met een karavaan op reis worden gestuurd om kostbaarheden voor het graf van Ku Bau te vergaren, en die van de achterblijvers, onder wie de koningin, Yarims vriendinnetje Inaja en de dobbelaar Azi. Allemaal zijn ze op de hoogte van de voorspelling die via de opperpriester aan de stad en haar inwoners is gedaan, maar de formulering daarvan stelt ieder voor een raadsel. Dat raadsel, dat ontsluierd moet worden, vormt de basis van De weg van de wind.

Het aardige is dat het boek spannender wordt naarmate de betekenis van de voorspelling duidelijker wordt. Omdat de lezer heen en weer slingert tussen de twee afzonderlijke maar uiteindelijk samenvallende verhaallijnen, weet hij meer dan Yarim, die aan het eind van het boek, bij zijn terugkeer in Kish, op een tragisch lot lijkt af te stevenen. Daardoor ontstaat een soort "Kijk uit, achter je!'-effect, maar Hagen heeft een knappe oplossing bedacht om Yarim, en niet alleen hem, te behoeden voor de ondergang.

De verrassende truc die Hagen uithaalde met Het gouden oog (het verhaal was cyclisch opgebouwd) kon hij in De weg van de wind natuurlijk niet meer toepassen, maar er blijft nog genoeg over: in de uitgekiende constructie blijken terloopse incidenten niet zonder betekenis. Het is een boek dat wint bij herlezing. Daarnaast is Hagen er opnieuw in geslaagd in natuurlijke, onopgesmukte taal een sfeervol beeld op te roepen van het alledaagse leven zoals dat er omstreeks 2400 v. Chr. zou kunnen hebben uitgezien. Of moét hebben uitgezien, want hij documenteerde zich voor zijn twee boeken over Yarim uitvoerig, door veldwerk te verrichten in het Midden-Oosten en de hulp in te roepen van een archeoloog. En dan zijn er de mythische verhalen die Nanshe bij zijn harp vertelt: door de eeuwen heen overgeleverd, eerst mondeling, later in spijkerschrift gekrast op kleitabletten. Hagen bewerkte ze op zijn beurt en wist ze op een vanzelfsprekende manier in te passen in zijn eigen verhalen.

De weg van de wind mag dan misschien niet zo'n grote verrassing zijn als Het gouden oog (de boeken kunnen overigens heel goed los van elkaar gelezen worden), het is zeker niet zo dat Hagen zich heeft laten leiden door het succes van het eerste boek over Yarim. In het nawoord van Het gouden oogschreef hij immers al dat hij over Yarim nog niet was uitgepraat, en nu, in het nawoord bij De weg van de wind, zegt hij in bedekte termen hetzelfde: het valt hem moeilijk afscheid te nemen van Yarim. Hij zal zeker niet de enige zijn.