Individu

Individualisering is ook weer zo'n woord dat plotseling in de mode is. Misschien waait het over, wat het lot is geweest van een woord als mieters.

Misschien houdt het moeizaam stand, wat is gebeurd met evalueren. Het is ook mogelijk dat het ingeburgerd raakt. In ieder geval heeft het woord individualiseren het voordeel dat er een wetenschappelijk aureool omheen hangt, als je tenminste sociologie als een echte wetenschap wilt aanvaarden.

Individualiseren is afgeleid van individu, een woord dat bij ons thuis een ongunstige klank had. Voor het eerst hoorde ik het, toen mijn vader aan tafel zei dat hij de avond tevoren op straat een “onguur individu” was tegengekomen. Een individu, maakte ik op, was iemand zonder gezicht, een in een regenjas gehulde anonymus, die zich met de hoed over het hoofd spoedt naar een geheimzinnige bestemming. Het was duidelijk dat het individu het vooral had gemunt op de portefeuilles van eerzame voorbijgangers.

Uit verschillende commentaren meen ik te begrijpen dat wij individualisering scherp moeten onderscheiden van egoïsme. Egoïsme komt van ego, dat gewoon ik betekent. Ego is een prachtig woord. Er zijn talen die het equivalent voor ego niet kennen, maar in feite is onze beschaving begonnen bij de eerste Griek die over zichzelf begon te praten.

Helaas heeft Freud er weer een potje van gemaakt. Hij heeft het ego tot monsterachtige proporties opgeblazen. Bij Freud werd het ego een vergaarbak van de laagste gevoelens en motieven. Seksuele angsten, penisnijd en vadermoord zaten in het ego opgesloten, maar dreigden elk moment uit te breken om dood en verderf te zaaien. Daardoor verloor het ego elke morele verantwoordelijkheid.

Het geweten werd opgeborgen in een andere instantie die Freud het superego noemde. Vraag me niet wat het superego precies inhoudt, want dat heb ik nooit helemaal begrepen. Het superego representeert op de een of andere manier datgene “wat de anderen ervan vinden”. In dat geval regeert het superego over het ego als een cowboy die wanhopig tracht een wild paard te berijden.

Na Freud is het lelijk misgegaan met het ego. We hebben eigenlijk geen goed woord meer voor het ego over. Egoïsme, egotisme, egocentrisme zijn afleidingen, die niets dan kwaad voorspellen. Egotripperij is een kwestie van zelfingenomenheid en het egotijdperk staat ons voor de geest als een periode waarin met behulp van een therapeut naar de eigen navel werd gestaard.

Maar hoe gaat het met die dingen? Het is met die ideeën als met vlees in een gehaktmolen: na een tijdje komt er een vermalen brij uit, vormeloos en doorgaans zonder een herkenbare smaak. Tien jaar na het egotijdperk heeft Marcel van Dam het begrip individualisering geïntroduceerd. Opnieuw geïntroduceerd, zou je moeten zeggen want de liberalen hadden het er al over toen Van Riel en Geertsema nog leefden.

Eerlijk gezegd zie ik weinig in een discussie over zo'n abstract begrip als individualisering. Neem bijvoorbeeld de techniek. Vroeger hoorde je in socialistische kring vaak dat de mens door machines zijn individualiteit zou verliezen. Massaproduktie leidde slechts tot geestelijke eenvormigheid. Dat werd gezegd in een tijd dat socialisten nog over een eigen krant, een eigen uitgeverij en een eigen club van natuurvrienden beschikten.

De krant, de uitgeverij en de club van natuurvrienden zijn verdwenen, maar de massaproduktie is gebleven. Zonder massaproduktie geen dropjes, melk, auto's, computers en al die andere produkten waar wij zo'n behoefte aan hebben. Is de individualisering daardoor afgenomen? Ik zou het niet weten, zoals ik ook niet weet of mijn grootvader een minder geïndividualiseerd leven heeft geleid dan ik.

In de Volkskrant schrijft Van Dam: “Door de individualisering zijn mensen niet minder sociaal of solidair geworden.” Op grond waarvan komt Van Dam tot zo'n conclusie? Hoe heeft hij dat gemeten? Nog afgezien van de vraag hoe je zulke vage begrippen als sociaal en solidair zou moeten definiëren, wil ik altijd weten welk onderzoek zo'n conclusie rechtvaardigt. Als zo'n onderzoek niet bestaat, blijven er alleen wat kreten over, slechts bedoeld voor een partijprogramma dat toch door niemand wordt gelezen.