Iedere deur een groet; Structuralistische architectuur

Wim J. van Heuvel: Structuralisme in de Nederlandse architectuur. Uitg. 010, 244 blz. Prijs ƒ 65,-

Het structuralisme is niet dood, het leeft! Wie, zoals Rem Koolhaas, denkt dat deze Nederlandse bijdrage aan de internationale architectuur haar beste tijd heeft gehad, vergist zich volgens Wim J. van Heuvel in zijn boek Structuralisme in de Nederlandse architectuur. Juist aan het einde van de jaren tachtig kreeg het structuralisme belangrijke nieuwe impulsen, schrijft hij, door bijvoorbeeld de niet gebouwde ontwerpen van Herman Hertzberger voor de Bibliothèque de France in Parijs en de Gemäldegalerie in Berlijn. Weliswaar bestaan deze ontwerpen, anders dan de eerste structuralistische gebouwen uit de jaren zestig, niet langer uit een aaneenschakeling van kleine elementen, maar, aldus Van Heuvel, de grote bouwvolumen zijn zo uitgewerkt dat ze "opnieuw een menselijke schaal krijgen.'

Met deze "menselijke schaal' geeft Van Heuvel aan het einde van de hoofdtekst van zijn boek een wel erg vaag criterium voor het structuralisme. Op deze manier kan het leven van het structuralisme tot in lengte van jaren worden gerekt, want er zullen altijd wel architecten in Nederland zijn die streven naar "de menselijke maat' in hun gebouwen. Bestaan er trouwens wel architecten die durven beweren dat "het bouwen op onmenselijke schaal' hun doel is?

In de rest van zijn tekst geeft Van Heuvel duidelijkere criteria voor het structuralisme. "De mogelijkheid tot invulling door de gebruikers' is er daar een van, het "aansluiten op menselijke behoeften' een tweede. Hij citeert Aldo Eyck, die in het tijdschrift Forum, de spreekbuis van de structuralisten, schreef: “Maak van iedere deur een groet en van ieder raam een gelaat. (-) Maak van ieder raam en iedere deur een plek, een tros plekken van ieder huis en iedere stad - maak bovendien van ieder huis een kleine stad en van iedere stad een groot huis.” Soms neemt Van Heuvel zijn toevlucht tot een soort welzijnwerkersproza om de bedoelingen van structuralistische architecten als Van Eyck, Hertzberger en Van Stigt te verduidelijken: “Het "bouwen vanuit de ontmoeting' werd een voorname intentie van de ontwerpers.”

Toch zijn het niet de goede bedoelingen van een architect, maar de formele kenmerken van een gebouw die de hoofdrol spelen in Van Heuvels boek. "Ruimtestructurerende constructie' is de toverformule: hebben gebouwen die niet, zoals Piet Bloms paalwoningen in Rotterdam en Helmond, dan zijn ze ook niet structuralistisch.

Door de nadruk op de formele kenmerken is het boek teleurstellend. Het essay van 49 bladzijden begint met een korte, plichtmatige beschrijving van de moderne architectuur vanaf Berlage en laat zien hoe de structuralisten zich aan het eind van de jaren vijftig afzetten tegen de anonieme, zakelijke woningbouw uit de wederopbouwtijd. Wat volgt zijn keurige, maar ook saaie beschrijvingen van gebouwen en ontwerpen. Ze maken bovendien een overbodige indruk, want ze worden nog eens uitgebreid overgedaan in het tweede en grootste deel met afzonderlijke besprekingen van structuralistische ontwerpen, van het Burgerweeshuis van Van Eyck uit 1960 tot Hertzbergers Media-Park in Keulen uit 1991. Aan een kritische beoordeling van het structuralisme komt Van Heuvel nauwelijks toe. Hij volstaat met opmerkingen als: “De uitwassen hiervan (de structuralistische stedebouw, B.H.) leidden tot "de kneuterige woningbouwarchitectuur van de jaren zeventig. Het plastische effectbejag prevaleerde en vond uitdrukking in detailleringen die door de beperkte budgetten van de sociale woningbouw ten koste gingen van de eigenlijke woonkwaliteit. Met het structuralisme had dit niets meer te maken.”

Ook het verband tussen het structuralisme in de architectuur en de gelijknamige stroming in de taal- en menswetenschappen had veel meer aandacht verdiend. Hertzberger bijvoorbeeld noemt altijd het werk van de antropoloog Claude Lévi-Strauss als een van zijn belangrijkste invloeden. Van Heuvel wijdt aan het niet-architectonische structuralisme niet meer dan een alinea.