Het treurige relaas van Marie M. Kreukniet

Op vrijdagavond, 3 november 1893, zaten enige kunstenaars bijeen in het café Milles Colonnes op het Rembrandtsplein. Onder hen de acteur/regisseur Henri van Kuyk en de directeur van de Salon des Variétés, Marie M. Kreukniet. Kreukniet liet, met één oor luisterend naar de gesprekken van zijn tafelgenoten, zijn gedachten afdwalen naar de maandag daarvoor. Hij zag zich weer staan, in zijn theatertje, voor de leden van zijn gezelschap. Vanwege de slechte zaken had hij zijn acteurs een salarisverlaging moeten voorstellen. De acteurs waren morrend akkoord gegaan, maar de opluchting hierover was van korte duur. Twee dagen later stonden alweer nieuwe schuldeisers op de stoep.

Op dat moment kwam de toneelverslaggever van de Telegraaf het café binnen. Hij was die avond in het Paleis voor Volksvlijt naar de première van "Rosmersholm' geweest, door het Amsterdamse gezelschap "De Tooneelvereeniging' van L.H. Chrispijn. De journalist vertelde dat Chrispijn in het programma een uitgebreide beschrijving van de inhoud van het stuk had laten opnemen, zodat het publiek, wetende wat er zou gaan gebeuren, zich beter zou kunnen concentreren op de redeneringen van de hoofdpersonen Rosmer en Rebecca. Anders was het wel erg moeilijk het slot van het stuk te begrijpen. Rosmer en Rebecca hebben namelijk eindelijk de mogelijkheid om te trouwen, maar besluiten zelfmoord te plegen door van de brug af in de beek te springen. Op dezelfde manier had Rosmers eerste vrouw enige jaren daarvoor al een einde aan haar leven gemaakt.

Na nog wat opmerkingen over het spel en de reacties van het publiek kwam het gesprek op de opvoeringen van andere stukken van Ibsen in de afgelopen jaren. Kreukniet vertelde vol vuur over de zeer geslaagde vertoningen van Ibsens stukken in zijn Salon. "Nora', "Spoken', "Hedda Gabler'. Echte kunst was dat geweest.

Na enige tijd dwaalden zijn gedachten weer af naar zijn financiële problemen. Zouden zijn idealen dan toch te hoog gegrepen zijn? Kreukniet dacht terug aan het begin van zijn toneelloopbaan. In 1872 was hij als 20-jarige uit Rotterdam bij het gezelschap van de bekende Belgische acteur Victor Driessens in Amsterdam terechtgekomen. Grote problemen had hij met zijn vader gehad, die niets wilde horen van zijn plannen en hem wilde dwingen op een assurantiekantoor te gaan werken. Maar Kreukniet zette door en kreeg zijn eerste engagement. Al snel bleek het anders te gaan dan hij had gehoopt; alleen kleine en zeer bescheiden rolletjes waren zijn deel. Hij zag in dat hij nooit een groot acteur zou worden. Toch wilde hij bij het toneel blijven en na enige jaren als costumier werkzaam te zijn geweest werd hij tenslotte administrateur bij de Salon des Variétés. Wat een stukken had hij daar op het toneel gebracht: kluchten, draken, de meest verschrikkelijke operettes, acrobaten, revues en meer van dat soort amusement, alleen gericht op het trekken van het grote publiek. Nee, daar vond hij niet de idealen in terug, die hij met met zijn kunstminnende vrienden deelde. Samen bespraken zij in café Mast de moderne literatuur, lazen zij de binnen- en buitenlandse kunsttijdschriften. Langzaam was toen bij hem een plan gerijpt. De Salon moest het Nederlandse podium worden voor het naturalistische toneel, een stroming die in het buitenland steeds meer terrein begon te winnen, een modeltheater moest het zijn. Met trots dacht hij er aan terug, dat mede dankzij zijn inspanningen in 1888 in de Salon de eerste geslaagde opvoering van een stuk van Ibsen werd gegeven: "Nora'. Wekenlang was er over gepraat. Het betekende voor Nederland de doorbraak van Ibsen. Na deze voorstelling had zijn plan vaste vorm gekregen.

Kort daarna werden er in de Salon meer stukken van Ibsen en andere moderne buitenlandse auteurs gespeeld. Er kwam veel publiek op af, en iedereen was het er over eens dat hier iets nieuws en belangrijks gebeurde. Hier vond je het echte moderne toneel. Nog nadenkend over deze prettige en spannende tijd, keek Kreukniet op zijn horloge, zag dat het bijna één uur was en besloot op te stappen. Hij schudde de hand van zijn tafelgenoten, wenste hen goedenavond en verliet het café.

Buitengekomen liep hij vanaf het Rembrandtsplein richting huis. “Waar is het toch mis gegaan?” vroeg hij zich af. De nieuwigheid was er zeker van af. En de concurrentie van de andere gezelschappen werd steeds groter. Ja, er waren nog wel successen, maar dat waren voornamelijk artistieke successen. Aan goede recensies geen gebrek. Financiële successen bleven echter meestal uit.

Een angstig gevoel bekroop hem. Hoe moest het nu verder? Als hij morgen op zijn kantoor zou zijn, wie zouden er dan weer om geld komen vragen? Wat moest hij dan doen? Wat moest hij tegen zijn acteurs zeggen? Hij keek op zijn horloge, zag dat het al halftwee was geweest en versnelde zijn pas.

De volgende dag kwamen de acteurs één voor één binnenlopen in de Salon. De stemming was niet al te best sinds de bijeenkomst van afgelopen maandag. Iedereen was het er over eens dat Kreukniet een harde werker was, maar hij liet zich misschien toch te veel door zijn idealen in plaats van door zakeninstinct leiden. Henri van Kuyk, de regisseur, was zoals gewoonlijk al om 12 uur aanwezig. Hij zat te wachten op Kreukniet, die nog steeds niet was gearriveerd. Om halfeen besloot hij maar met de repetities te beginnen. Het nieuwe stuk moest immers volgende week al in première. Toen er na een uurtje even werd gepauzeerd en Kreukniet nog steeds niet was verschenen, stuurde Van Kuyk een van de jongere acteurs naar diens huis, om te vragen waar hij bleef. Korte tijd later kwam de acteur aangerend: “Mijnheer, mijnheer, Kreukniet is vermist!” Kreukniet was die vrijdagavond niet thuisgekomen.

Toen hij na het weekend nog niet was gesignaleerd verscheen op dinsdag 7 november het volgende berichtje in de krant. “De heer Kreukniet, een der directeuren van het Salon des Variétés, wordt sedert eenige dagen door bloedverwanten en vrienden vermist. Men meent zijn verdwijnen in verband te moeten brengen met den minder gunstigen gang der zaken van het Salon gedurende den laatsten tijd.”

Al snel kwamen de geruchten los. Er werd gezegd dat Kreukniet was gevlucht met de kas van het gezelschap, met het geld van de artiesten. Hij was naar Argentinië vertrokken . . . Men had hem gezien te Antwerpen, te Hamburg, overal gezien . . . Hij was er "van door', met de Noorderzon vertrokken. Kreukniet liet niets meer van zich horen.

Op 18 november verscheen er weer een berichtje in de krant. Die ochtend was er een jongen hijgend en vermoeid bij de Salon gekomen met het verzoek de directie te spreken. Hij had een fles opgevist uit de Amstel, en na deze stuk geslagen te hebben bleek er een brief in te zitten waarop stond “Ik heb mij van 't leven beroofd, Kreukniet”. De politie onderzocht het briefje, een vuil papiertje, afgescheurd van een tabakszak. Het schrift vertoonde geen gelijkenis met dat van Kreukniet, het was meer een vrouwenhand. De politie ging er dan ook van uit dat men met een “even wreede als ongepaste grap” te doen had.

Ondanks de geruchtenstroom kwamen er geen nieuwe feiten aan het licht in de zaak-Kreukniet. Tot 5 december. In de Prinsengracht, nabij de Leidsestraat verplaatste een schipper zijn schuit. Opeens zag hij een lijk komen bovendrijven. Ruim een maand na zijn verdwijning kwam Marie M. Kreukniet weer boven water. Zijn horloge was stil blijven staan op tien over halftwee.

Henri van Kuyk zal na het horen van dit nieuws nog wel vaak hebben teruggedacht aan de woorden die Kreukniet hem enige dagen voor zijn dood toevertrouwde: “Laat me niet te veel alleen, want ik voel me zoo zwaarmoedig, dat ik me zou kunnen verdoen.”

Rosmersholm gaat op 13 februari in première bij het Gezelschap FAct in Rotterdam en wordt over een half jaar in Amsterdam door Het Balkon gespeeld.