Het gulden vlies in de rugzak; Willem Brakmans grenzeloze fantasie

Willem Brakman: Een vreemde stam heeft mij geroofd. Uitg. Querido, 210 blz. Prijs ƒ 34,90

Er bestaat geen tweede Nederlandse schrijver met een fantasie zo wild en bizar als die van Willem Brakman. Bij Belcampo kon vroeger veel, bij Brakman kan alles. In de kelders van een ziekenhuis worden de kinderen van een blinde dagelijks gegeseld. In het Zeeuwse dorp Schuddebeurs ligt de moeder van Zeus, Rhea, bijgenaamd de Zeug van de Dikte, naakt op een bed, zo opgezwollen dat ze geen vinger meer kan oplichten en zo ongewassen dat de pelgrims ruiken waar ze heen moeten. Regelmatig baart ze kinderen waarvan er elke zaterdagavond een uit elkaar gescheurd wordt en opgegeten. Onsmakelijke en sadistische taferelen zijn altijd al deel geweest van Brakmans fantasie, maar wat er aan moord, marteling en kannibalisme in de nieuwe roman beschreven wordt, gaat verder dan ooit. Waartoe? De verteller noemt even het verband tussen walg, liefde en pijn, maar te vluchtig om duidelijk te zijn.

De verteller is een Zeeuwse boer uit de tijd dat de Ioniërs, Aioliërs en de Achaiers het land binnenvielen. In zijn jeugd, zegt hij, leefde hij in een wereld van fantasie, verhalen en geruchten. Zijn moeder noemt hem Jason en doet hem in huis bij oom Arie waar de huishouding verzorgd wordt door een centaur, net als in de mythe van Jason en het Gulden Vlies. Al gauw blijkt dan ook dat Jason dat vlies uit een tempeltje in Zeebrugge moet gaan ophalen. Een Zeeuws beurtschip, De Telegraaf geheten, wordt omgebouwd tot het schip Argo, en Heracles, een reusachtige worstelaar, en Orpheus, een matroos die op een harpje speelt, maken allebei deel uit van de bemanning, ook geheel in overeenstemming met de mythe. In ironische tegenstelling tot de mythe heeft Jason de hele reis lang het Gulden Vlies al veilig in zijn rugzak. Er wordt dus gezocht naar wat er al is. Maar dan schuilt er nog een ironisch addertje onder het gras want Jasons vlies blijkt een vervalsing. Bij Brakman is iets zelden wat het schijnt.

Vanaf Brakmans eerste roman, Een winterreis (1961), speelt reizen een grote rol in zijn werk en in dit boek staat de zwerftocht van de Zeeuwse Argonauten centraal. In de Zeeuwse wateren worden ze hevig aangevallen door de autochtonen met hun zwarte petjes, en na aan die rabauwen ontkomen te zijn, worden ze bestookt door de Friezen, die beschreven worden als personen met een zeer laag begripsvermogen, verslaafd aan de drank en fanatieke verzamelaars van schedels. Wat zij met de arme Admetos uithalen wordt met smaak verteld. Het zijn ook de Friezen die een feestmaaltijd aanrichten met een vetgemeste jongen als hoofdgerecht.

Een van Brakmans steeds terugkerende fantasieën is het omtoveren van rustige stukjes Nederland tot krochten van de hel. In Inferno van 1991 was het Voorburg dat het moest ontgelden, nu is de beurt aan Zeeland en Friesland. Dat had mooie satirische scènes kunnen opleveren als niet alles steeds weer overstemd werd door het knappen van schedels, het kraken van ribben en het gehuil van de slachtoffers. Net als in zijn vorige romans probeert Brakman het geweld een luchtiger toon te geven door het gebruik van populaire uitdrukkingen en komische clichés, maar ondertussen staat er wel wat er staat. Lang duurt die luchtige toon overigens nooit. Brakmans stijl wordt nogal eens geprezen als lyrisch en beeldend, en voor allerlei met vaart geschreven passages geldt dat ook wel, maar even vaak is de manier van schrijven zwaar en overladen.

Wie die Zeeuwse Jason nu eigenlijk is, wordt nooit helemaal duidelijk. Als ik soms bij het lezen van Brakman stilletjes roep om meer licht, schiet me net altijd te binnen wat hij in Een wak in het kroos (1983) over zijn eigen werk heeft gezegd: dat ook de schrijver zelf "kan worden ingevoegd in de rij van toegewijde en naar licht hunkerende lezers.' Misschien is Jason de schrijver die het verhaal van de Argonauten, met talloze vervormingen, zich in zijn hoofd laat afspelen als een droomreis die door de fantastische elementen alle werkelijkheid achter zich laat en, voor het ogenblik in elk geval, een bevrijdende en rustgevende werking heeft. In de laatste regel ziet Jason zich niet meer als een gedrevene die aan de vloek die op hem rust, probeert te ontsnappen, maar als iemand die thuiskomt.

Bij een boek als dit is het moeilijk de vraag te vermijden hoe ver een schrijver zijn fantasie kan opdrijven zonder het contact met zijn lezers te verliezen. Een goed antwoord is er niet en een algemeen aanvaardbare grens valt niet te trekken. Maar een fantasie waarin alles kan en alles mag, waarin de zwaartekracht van de realiteit volledig wordt opgeheven, bereikt nooit de spanning die bereikt wordt door een schrijver als Kafka, met wie Brakman verwantschap vertoont en op wie hij in zijn De bekentenissen van de heer K. (1985) heeft teruggegrepen. Bij Kafka is het juist de voortdurende wisselwerking van realiteit en verbeelding die het werk zijn buitengewone kracht geeft. Bij Brakman zit de tomeloze fantasie zichzelf in de weg.