Gepieker van een rare snuiter; Kees 't Hart over de zwembadcultuur

Kees 't Hart: Zwembad. Uitg. Querido. 128 blz. Prijs ƒ 27,50.

Andreas Burnier vatte in 1979 haar bezwaren tegen het in haar ogen eenzijdige en mannelijke westerse denken samen in het zelfbedachte woord zwembadmentaliteit. “Dat is het holle geschreeuw uit duizend kelen dat je kunt horen in ieder betegeld, overdekt zwembad. Het zwembad schijnt een omgeving te zijn die op sommige mensen, of misschien wel alle, massificerend en bewustzijnsverlagend werkt,” zo schreef ze in het voorwoord van haar essaybundel De zwembadmentaliteit. Over precies zo'n betegeld en overdekt en van geschreeuw vervuld zwembad gaat het in de derde roman van Kees 't Hart, kort en krachtig Zwembad getiteld. En zonder dat het woord valt, draait het hele boek om een mentaliteitskwestie. Je zou Zwembad dus kunnen lezen als een soort commentaar op Burniers ideeëngoed.

't Hart beperkt zich tot de badcultuur zelf en tot de geestesgesteldheden die daarbij horen: die van de zwemmer en die van de badmeester. Er is maar één conclusie mogelijk, die Burnier in het gelijk stelt, want de mentaliteit, zo blijkt uit alles, is zeer bedenkelijk. De gemiddelde badmeester is een gluiperig en achterbaks type, dat alleen maar aan seks denkt en bij wijze van ordehandhaving keiharde klappen uitdeelt met de bekende houten stok met ijzeren haak. Met de gemiddelde zwemmer (”hoofdzakelijk middelbare scholieren, eerstejaars studenten en asociale bejaarden') is het al niet veel beter gesteld. Ook hij - want het onheil wordt ook door 't Hart vooral aan mannen toegeschreven - verkoopt graag vieze praatjes of treitert zijn medezwemmers en de badmeester. Maar wie iets beter oplet, merkt al gauw dat er iets vreemds aan de hand is met deze roman, zoals met al het werk van Kees 't Hart tot dusver. We hebben hier niet zozeer te maken met massificatie en bewustzijnsverlaging, als wel met het overbewustzijn van een nogal zonderling en wereldvreemd individu. Alle boude uitspraken die in de roman gedaan worden over zwembaden, badmeesters en zwemmers komen uit dat ene, weinig betrouwbare brein voort.

Ook deze keer, net als in De neus van Pinokkio (1990) of in de verhalen uit Vitrines (1988) zijn het niet de gebeurtenissen die ertoe doen, maar het gepeins van de hoofdfiguur. Hij is een onderzoeker van het onpraktische soort, die steeds bewijzen aan het verzamelen is, maar niet goed weet waarvan of waartoe. Zijn maatschappelijke aanspraken zijn bescheiden. Met een stageplaats zou hij al dik tevreden zijn. Zijn onderzoeksgebied is steeds een afgebakend iets, meestal een gebouw: een warenhuis, een bibliotheek, of, zoals in dit geval een zwembad. Dat ene gebouw met alle mensen die erbij horen probeert hij als een regisseur in zijn macht te krijgen, zodat er althans één plek is waar hij zich op zijn gemak kan voelen. “We waren met z'n tweeën in een kleedruimte voor het personeel”, zo overweegt hij, “ik wist niet precies welke, later zou ik er de details wel bij verzinnen.”

Je moet ervan houden, van het obsessieve proza van 't Hart. Het is gemanoeuvreer op de vierkante centimeter, gewoeker met steeds terugkerende woorden en situaties. In De neus van Pinokkio concentreerde zich het gedenk op een oom en een tante, een bibliothecaris, majorettes, verhuizers, Althusser, cultuurbijlagen en verzamelingen. In Zwembad behoren de woorden broer, afscheid, vergeten, ontgroening, cursus, directeur en spuugmeisje tot de sleutelbegrippen. De puzzelaars onder de lezers kunnen hun hart ophalen aan de vele gewiekste verwijzingen die 't Hart in zijn roman aanbracht en die bij herlezing pas goed opvallen. De liefhebbers van een echt verhaal met een begin, een eind en een toedracht, zullen de wenkbrauwen daarentegen geregeld fronsen. Waar gaat al dit gepieker nu precies over, zullen ze zich geïrriteerd afvragen. En gebeurt er eigenlijk wel wat, of zijn het alleen maar de hersenspinsels van een rare snuiter? Zelf heb ik mij een enkele gaap van verveling veroorloofd, vooral in het eerste, bijzonder trage deel van de roman. Zoals zijn hoofdpersoon zichzelf steeds op de proef stelt in zijn zelfgeschapen wereld, zo stelt 't Hart ons op de proef. Wij moeten bereid zijn hem te volgen, terwijl er maar al te vaak en lang stil wordt gestaan bij van alles en nog wat.

Toch valt er, zeker op stilistisch gebied, genoeg te beleven aan Zwembad. In 't Harts even grillige als hardnekkige proza is duidelijk enige Brakman-invloed zichtbaar. In de driedelige formulering bijvoorbeeld: ”Er was geen sprake van invallende stilte, wegzakkende ledematen en gebons op een omfloerste trom'. Het is overigens niet dit soort woordpraal dat Zwembad tot een bijzondere en vermakelijke roman maakt. 't Hart moet het vooral hebben van de virtuositeit van zijn spel met werkelijkheid en verbeelding, individu en massa, hoog en laag, gevoel en verstand en van de nogal op de lachspieren werkende afwisseling tussen mooie, weloverwogen formuleringen en grove, ongenuanceerde uitspraken. Zo heeft de hoofdpersoon het ene moment vredige gedachten over het licht, de tegeltjes, het zacht geurende blauwgroene water en de zoemende buizen in het zwembad, terwijl hij het volgende moment afgeeft op de badmeestersopleiding die hij zou kunnen gaan volgen. “Het is een kutcursus (-), er zit mond-op-mondbeademing bij van bejaarden en hartopwekking met stroomstoten en ook beleidskunde.” Steeds wordt hier gebalanceerd tussen afgrijzen en verrukking over een badcultuur, die ten dode lijkt opgeschreven door de opkomst van tropische zwemparadijzen. Voorbeeldig kun je deze zwembadmentaliteit misschien niet noemen, maar rijk geschakeerd en amusant is ze wel.