Geleide democratie

(1) Karni, Rahadi S. (ed.), The Devious Dalang. Verbatim Testimony of Colonel Bambang S. Widjanarko on the October 1965 Purge of the Indonesian General Staff. Ingeleid door A.C.A. Dake. Den Haag, Interdoc Publising House 1974.

Kortgeleden heb ik mij door een Indonesische roman heengeworsteld; een belangwekkend boek: wanneer de Nederlandse vertaling is verschenen zal ik er zeker op terugkomen. Wat het lezen van dit boek intussen nog eens duidelijk maakte is hoe torenhoog het werk van Pramoedya Ananta Toer uitsteekt boven de gemiddelde Indonesische roman. Het is een tragedie dat iemand van een dergelijk formaat in zijn eigen land niet mag worden gelezen en door de regering van Indonesië al decennia zonder enige vorm van proces als een rechteloos burger wordt behandeld.

Wat het in mijn ogen dubbel tragisch maakt is dat Pramoedya zelf, met een hardnekkigheid een betere zaak waardig, het regime dat in feite de democratie in Indonesië vermoord heeft blijft verheerlijken - namelijk het regime van Soekarno, waarin hij, Pramoedya, een rol heeft gespeeld die iedereen hem graag vergeven zou als hij er niet zelf telkens op terugkwam.

Zo verscheen in december vorig jaar ter gelegenheid van de Dag van de Rechten van de Mens in een aantal westerse dagbladen (in Nederland in de Volkskrant) een verklaring van Pramoedya waarin hij het huidige bewind bittere verwijten maakt over de wijze waarop het hem van zijn vrijheid, zijn bezittingen en zijn recht van meningsuiting heeft beroofd; die verwijten zijn volkomen terecht, maar tot mijn teleurstelling gaan ze ook nu weer vergezeld van een misleidende voorstelling van zaken over de voorafgaande periode.

"27 Jaar', schrijft Pramoedya, "is voor de heersers van de Republiek Indonesië of welke staat dan ook, meer dan genoeg om mensen die van hun rechten zijn beroofd in ere te herstellen, of het daarbij nu om morele of materiële rechten gaat. En voor degenen die werden beroofd, zijn 27 jaar veel te lang om hun rechten enkel door hun kracht en doorzettingsvermogen te verdedigen.'

Vanwaar die aanduiding van 27 jaar? Trek 27 af van 1992 en je krijgt 1965, het jaar waarin de staatgreep van kolonel Untung het begin van het einde van het Soekarno-bewind inluidde - een jaartal dat specifieke herinneringen oproept aan de staat waarin dit bewind Indonesië had gebracht: na de introductie van de "konsepsi Presiden' in 1957 was de "westerse' democratie in 1958 afgeschaft en vervangen door Soekarno's "geleide democratie'; vice-president Hatta was al eerder uit protest afgetreden; fatsoenlijke democraten waaronder A. Agung, M. Rum, Sjahrir, Soebadio, Sultan Hamid en anderen waren geëlimineerd en gevangengezet; een aantal "burgerlijke' kranten en publikaties waren verboden, van andere werd de inhoud gecensureerd; vele intellectuelen (waaronder Beb Vuyk) verlieten het land; de invloed van de op Maoïstisch China georiënteerde Communistische Partij werd overheersend, de levensstandaard was catastrofaal gekelderd en het land stond aan de rand van de afgrond.

Het toeval wil dat eind vorig jaar, kort voor Pramoedya's manifest, een Indonesiër genaamd Adnan Buyung Nasution aan de Universiteit van Utrecht is gepromoveerd op een proefschrift waarin niets heel wordt gelaten van de bekende stelling dat de "westerse' democratie voor landen als Indonesië ongeschikt zou zijn, zodat er allerlei modificaties moeten worden geïntroduceerd die beter passen bij de "eigen tradities', de "volksaard' en de "plaatselijke omstandigheden'. In de praktijk is dat nooit iets anders dan een voorwendsel voor machtsmisbruik, zoals het dat ook is voor het regime van Soeharto. In de woorden van Pramoedya: "Het is gedateerde onzin te blijven proberen de wereldopinie ervan te overtuigen dat de mensenrechten in Indonesië worden gerespecteerd “in overeenstemming met de bijzondere trekken van de nationale cultuur”. Al die praatjes zijn slechts een vorm van politieke manipulatie om de schending van de rechten van de burgers te legitimeren - schendingen die onder meer plaatsvinden om de macht van de heersers te beschermen.'

Zo is het, maar het is misleidend om te spreken van een proces dat nu 27 jaar aan de gang is en te schrijven dat het tijd wordt om "na 27 jaar' de verloren rechten te "herstellen', suggererend dat die rechten voor die tijd dus nog bestonden. Nasution laat er geen twijfel over bestaan: het is Soekarno die de constitutionele democratie om zeep heeft gebracht. Zijn opvolger, president Soeharto, is eenvoudig op de ingeslagen weg verdergegaan. Het verschil is dat Pramoedya nu zelf het slachtoffer werd van een systeem dat hij had helpen vestigen en waarin hij zijn bevoorrechte positie gebruikt had om democratisch gezinde schrijvers het leven zuur te maken.

Pramoedya stelt het voor of beroving van vrijheid en persoonlijke eigendommen een uitvinding is van het huidige regime, maar het is een voortzetting van praktijken geïntroduceerd door Soekarno, zoals alleen al blijkt uit de ostentatieve levensstijl van Soekarno's zevende vrouw Dewi, bijgenaamd "de godin van het juwelen hart', die in de trant van Imelda Marcos nog van tijd tot tijd van zich doet spreken. Uit de gepubliceerde verhoren van Soekarno's adjudant Bambang Widjanarko (1) blijkt dat ook Soekarno zich van alle grote transacties percentages toeëigende en de kunstwerken en kostbaarheden toebehorend aan gevangengenomen politieke tegenstanders ten eigen bate in beslag liet nemen.

Het politieke geheugen in Indonesië is korter dan 27 jaar; er worden steeds meer pogingen ondernomen om Soekarno postuum heilig te verklaren en dat is waar Pramoedya op inspeelt; zo schrijft hij: "En we willen er nadrukkelijk op wijzen dat allevormen van geweld in Oost-Timor moeten worden gestaakt, waarbij we er aan herinneren dat de republiek Indonesië, bij monde van haar eerste president in diens toespraak To build the world anew tot de Algemene vergadering van de Verenigde Naties, al had gesteld dat Indonesië geen territoriale ambities heeft.'

O nee? Wat was dan het object van Soekarno's "Konfrontasi'-politiek tegen Maleisië, dat jarenlang in angst leefde voor een Indonesische invasie? Pramoedya noemt Soekarno's passiepreek voor de Verenigde Naties, maar hij zegt er niet bij dat Indonesië uit deze organisatie dreigde te stappen om de erkenning van Maleisië te verhinderen, waarna Soekarno zelf een "United Nations of the New Emerging Forces' (UNNEFO) probeerde op te richten.

Nasutions proefschrift, getiteld The Aspiration for Constitutional Government in Indonesia (Utrecht 1992; eigen beheer, helaas lastig te krijgen), laat zien hoe pogingen om Indonesië van een democratische grondwet te voorzien door Soekarno werden getorpedeerd, waarna hij met steun van het leger de "geleide democratie' introduceerde: de "eigen tradities', de "volksaard', etc. Een boeiend aspect van dit onderwerp is dat dit begrip eigenlijk niet een uitvinding is van Soekarno maar in zekere zin een voortzetting van de opvattingen over het adatrecht in de Nederlandse tijd (Van Vollenhoven) en in feite nog steeds weerspiegeld wordt door het standpunt van Rob Nieuwenhuys in De mythe van Lebak.

Adnan Buyung Nasution (niet te verwarren met de generaal van die naam) werd geboren in 1934 en studeerde Rechten en Sociale Wetenschappen in Jakarta en Melbourne. Hij militeerde in de studenten-oppositie tegen Soekarno, was parlementslid van 1966-68, vestigde zich in 1969 als advocaat en richtte in 1970 een organisatie voor de verdediging der mensenrechten op, waarvoor hij verschillende internationale onderscheidingen ontving. In 1987 werd hem door de Soeharto-regering zijn bevoegdheid als advocaat ontnomen, nadat hij eerder al eens door deze regering gevangen werd gezet.