Euthanasie-perikelen

Door bevruchting van een eicel door een zaadcel in de baarmoeder ontstaat een hoeveelheid materie, die gedoemd is te leven (bewegen) en te sterven.

Op hetzelfde moment heeft het samenstel wettelijk recht op bescherming van leven en dood door ouders en medemens. Dat recht duurt van bevruchting tot dood. Of in die periode de vrucht en de mens daaraan ook zelf rechten kunnen ontlenen, is maar zeer de vraag.

Heeft een mens recht om te leven en te sterven en leven te vermenigvuldigen, zoals hem goeddunkt? Als natuurprodukt kennelijk niet. Hij kan zich dat recht wel toeëigenen en inbreuk maken op het beschermrecht van de gemeenschap, maar dat is nu juist waar de gemeenschap hem tegen wil beschermen. Een dergelijke filosofie speelt, buiten de artsenethiek om, een rol bij het euthanasieprobleem dat medisch handelen onder curatele van leken aan de orde stelt. Artsen zitten in de valkuil van de moderne mondige goegemeente.

Weinig wordt beseft dat artsen hoeders van het leven zijn en dat zij trachten om de gezondheid van mensen te herstellen. Zij zijn niet verplicht het leven, tegen beter weten in, in stand te houden en nog minder om het hun toevertrouwde leven op verzoek kunstmatig te beëindigen. De arts moet zichzelf zien als hoeder van de natuur, wier wetten mede door kerkelijke genootschappen in de maatschappij, in stand worden gehouden.

Het is derhalve duidelijk dat de morele les van de bisschoppen in de eerste plaats tot de artsen is gericht. Dit zijn: met mensen praktizerende biologen, die de gulden levenswet van: "gij zult niet doden', moeten verstaan.