Een welkom snuifje vernuft; Tentoonstelling van Nederlandse auto's

De grootste attractie van de tentoonstelling over Nederlandse auto's in de Rotterdamse Kunsthal zijn niet de exemplaren die in Nederlandse fabrieken werden ontwikkeld, maar unica van fanaten die op een goede dag tot het inzicht kwamen dat het aanbod van fabrieksauto's een opvallende leemte vertoonde.

Autodesign in Nederland. Kunsthal Rotterdam. Westzeedijk 341. T/m 28 maart. Di t/m za 10-17u. Zo- en feestdagen 11-17u.

Het is een merkwaardige verzameling automobielen die in de Rotterdamse Kunsthal is bijeengebracht. Op de begane grond staan de sierlijke cabriolets die elke bezoeker van een automuseum wel kent. Op de eerste verdieping is een flinke ruimte uitgetrokken voor Daf en Volvo. Op diezelfde verdieping een tiental bizarre produkten van huisvlijt, auto's waar er meestal maar één van gemaakt is. Het geheel wordt gepresenteerd onder de weidse titel Autodesign in Nederland en ziedaar de dunne draad die de geëxposeerde auto's bijeen moet houden: ze zijn alle door Nederlanders ontworpen. Spectaculair kan het resultaat niet genoemd worden. Nederland heeft zich nooit kunnen meten met auto-producenten als Duitsland, Engeland, Frankrijk of Italië en als de bezoeker van de Kunsthal dat nog niet wist, dan wordt het hem dat alsnog flink ingepeperd.

Voor de oorlog waren Spijker en Eysink de enige merken die een produktie van meer dan enkele tientallen hebben gehaald. In de Kunsthal staan drie fraaie Spijkers, waaronder een torpedovormige zescilinder racer uit 1922. De enige Eysink die de tand des tijds heeft doorstaan was niet beschikbaar. Deze auto staat in een museum in Goes en kan daar nooit meer uit, want na een verbouwing is het museum van te smalle kozijnen voorzien.

Tot het Nederlandse autodesign rekent de tentoonstelling ook de produkten van carrosseriebedrijven als Veth en Pennock, die buitenlandse auto's op bestelling van een carrosserie voorzagen. Twee geëxposeerde Delahayes zijn van een klassieke Pennock-carrosserie voorzien. Toen de auto-industrie steeds meer eigen carrosserieën ging bouwen en uiteindelijk overstapte op de zelfdragende carrosserie, was het met deze vorm van bedrijvigheid gedaan.

Na de oorlog heeft het Dafje van Huub van Doorne de stoot gegeven voor een opleving van de Nederlandse auto-industrie die tot op de dag van vandaag met wisselend succes en onder wisselende benamingen (Volvo, Nedcar) wordt voortgezet. Het oerDafje heeft op de tentoonstelling terecht een ereplaats gekregen. Het is zonder twijfel de meest Nederlandse auto die er ooit is gemaakt. De vormgeving (voornamelijk van Wim van de Brink) kan zich wat soberheid en functionaliteit betreft meten met het stalen Aupingbed en het Tomadorekje, en de geniale traploze versnelling (Variomatic) waarmee het karretje was uitgerust voegde er nog een welkom snuifje vernuft aan toe. Met de latere varianten deed de middelmaat weer zijn intrede. De Daffodil was getooid met een lelijke chroomstrip en in 1966 ontwierp Micchelotti voor de Daf 44 een carrosserie die het autootje wel wat internationaler, maar ook een stuk minder karakteristiek maakte. Die trend werd met de 55 (uit 1967) en de 66 (uit 1972) voortgezet, maar dan zijn we inmiddels al in de Volvo-tijd beland. Het Dafje kreeg volgens de Volvo-doctrine zware rubber bumpers aangemeten en rekte nog een paar jaar zijn bestaan als Volvo 66.

In 1976 kwam Volvo met de 343 op de proppen, een auto die door de Daf-ontwerpers al was voorbereid. Mooi was de auto niet, maar de talloze onderwijzers, drogisten en gemeente-ambtenaren die net zolang spaarden totdat ze er ook een konden kopen, maalden daar niet om. De 343 en de 360, met een wat grotere kofferbak, bleef twaalf jaar in produktie. Meer dan een miljoen auto's uit de drie-serie werden er gebouwd, maar merkwaardig genoeg is in de Kunsthal geen enkel exemplaar te bezichtigen. Zijn opvolger, de sportieve 480, is daarentegen in vele varianten te zien. Ook eigenlijk een Nederlandse auto (John de Vries was de belangrijkste ontwerper), maar zo duur en zo afwijkend van de 343, dat de onderwijzers en drogisten teleurgesteld naar Opel en Toyota uitweken. De nieuwste Nederlandse auto, de Volvo 440 is weer een stap in de burgerlijke richting. Een uitgesproken nette auto.

Toeval

Opzienbarender zijn de auto's die het sluitstuk en de werkelijke attractie van de tentoonstelling vormen. Negen unica, ontworpen en in elkaar gezet door fanaten die op een goede dag tot het inzicht kwamen dat het aanbod van fabrieksauto's een opvallende leemte vertoonde. Een leemte die door de eigen scootmobiel, sedan of sportcoupé wonderwel werd opgevuld. Honderden van dergelijke autootjes zijn er gemaakt. Jan Lammerse, de schrijver van de informatieve, uitgebreide catalogus bij de tentoonstelling (Autodesign in Nederland, Waanders, Zwolle) komt tot meer dan tweehonderd merken en projecten. De meeste zijn op de schroothoop van de autogeschiedenis beland, maar een enkele is door een stom toeval bewaard gebleven.

Zoals het vierwielig autootje van de heer Rombouts uit Waalwijk. Zijn eenzittertje had als handige bijzonderheid dat het gemakkelijk binnenshuis gestald kon worden. Het was namelijk zo smal dat de chauffeur het zonder moeite door een deuropening kon rijden. De eerste Rombouts was een open auto, de tweede was geheel gesloten, maar bleek na voltooiing net te breed om het huis te verlaten. Een extra deurtje bracht uitkomst.

Een ander gat in de markt werd opgemerkt door ir. A. van der Goot. Zijn Shelter autoscooter zag in 1955 het levenslicht. Een overdekte driewieler met een carrosserie zonder moeilijke rondingen. Aan de voorkant is de Shelter kaarsrecht, aan de achterkant kogelrond, maar elegant kan het bouwsel niet worden genoemd. Met een ontwikkelingskrediet van de overheid werd een kleine serie gebouwd, maar de kinderziekten werden nooit overwonnen.

Geheel andere uitgangspunten had de Friese garagehouder Kielstra. Zijn vierwiel aangedreven Kielstra convertible (1955) ziet eruit als een poging alle andere auto's overbodig te maken. Het in één mm plaatstaal uitgevoerde voertuig is een kruising tussen een terreinvoertuig en een luxe cabriolet waarin met grote trefzekerheid de slechtste eigenschappen van beide typen zijn gecombineerd. De onverwoestbare auto wordt nog steeds met succes ingezet om gestrande automobilisten weg te slepen. Kielstra's zoon Harry was met dezelfde zelfbouwdrang behept en zijn creatie staat nu ook in de Kunsthal. Minder hoekig, maar even robuust als het voertuig van zijn vader.

Zo staan er nog een paar nachtmerries in de Kunsthal. De Jansen sportcoupé bijvoorbeeld, een ellenlange sportwagen op het chassis van een Volkswagen Kever, of de JRM cabriolet uit 1962. Het belangrijkste onderdeel van deze laatste auto is een grote hoeveelheid plamuur. Bij de geheel onttakelde auto staat te lezen dat de huidige eigenaar "vast van plan is zijn aanwinst te vervolmaken'.

Van een zelfde voornemen schijnt ook de heer De Mooy bezield te zijn. Zijn DMS (De Mooy Special) lijkt wel op een miniatuur Porsche en is de mooiste eigenbouw van de tentoonstelling. Vele jaren geleden bouwde hij eerst het chassis met motor, wielen, stuur en aandrijving. Toen bleek dat alles functioneerde zoals het hoorde, begon De Mooy aan de carrosserie. Om een frame van houten spanten klopte hij uit staalplaat een sierlijke body. Vervolgens bleken de wielen te ver naar binnen te staan, maar een eenvoudige verlenging van de assen bracht de oplossing. Toen de auto zijn voltooiing naderde brak er brand uit in de garage waar de auto was gestald. De DMS werd naar buiten geduwd, maar het interieur, de meters, portier- en raamrubbers en andere onderdelen gingen verloren.

De Mooy is inmiddels gepensioneerd en heeft het plan opgevat het karwei af te maken. Hij heeft de body voorzien van een verse laag grijze grondverf en het resultaat is nu al adembenemend. Dat de DMS ooit op de openbare weg zal verschijnen moet uitgesloten worden geacht. De keuringseisen voor nieuwe auto's zijn de laatste jaren zo verscherpt dat zelfbouwers die het zonder de steun van een professioneel laboratorium moeten stellen geen enkele kans meer maken.