Een toverstaf voor het Stationsplein

Op en om het Stationsplein in Amsterdam heerst architectonische en ruimtelijke wanorde, zoals op de meeste grootstedelijke stationspleinen. Links van het Centraal Station staat nu de Wagons Lits toren van de architecten Benthem en Crouwel. “Onze primaire reactie op een krachtige, onbescheiden ingreep in de oude stad door sloop of nieuwbouw is altijd conservatief.”

Het gesol met de IJ-oevers in Amsterdam heeft zo langzamerhand het karakter van een natuurverschijnsel gekregen. Het doet denken aan de branding, aan golven die in eeuwige regelmaat aanrollen, over de kop slaan en vervolgens kalm uitlopen op het strand. Dat is het dagelijkse patroon. De branding ruist of fluistert, zegt men dan.

Maar soms stormt het. Dan is de zee woest, machtig en oorverdovend en kunnen nieuwsgierige toeschouwers elkaar alleen nog maar schreeuwend en brullend verstaan. Een enkele verslaafde aan het beukend natuurgeweld slaat de waarschuwingen van de kustwacht in de wind, waagt zich te ver op pier of kade en wordt door het ziedende water meegesleurd. De storm heeft een slachtoffer gemaakt, staat in de krant. En als de storm tot bedaren is gekomen, een nieuwe dag is aangebroken met een branding die weer geruststellend ruist en fluistert, lijkt het onvoorstelbaar welke gewelddadige krachten hier even tevoren hebben geheerst. Sommige schuttingen staan scheef. De rulle zandgrond heeft wat struiken verloren. Er zijn een paar nieuwe duintjes ontstaan. Een kartonnen paviljoen is in elkaar gedeukt. Verder ligt het oeverlandschap er weer even onaangeroerd bij als voorheen. Zou het natuurgeweld zich alleen in onze verbeelding hebben afgespeeld?

Een enkele uitzondering ontkomt aan het gesol, trekt zich niets aan van het wisselend tij, van het commentaar van supervisoren en politici. Als bij toverslag staat in de branding ineens iets nieuws overeind, een straks hinderlijk voorschot op een toekomst die nog ontworpen moet worden.

Zo had niemand de lugubere, blauw spiegelglazen Kamer van Koophandel tussen de spoorbaan en het water van het IJ voorzien. Zelfs de burgemeester werd zich pas bewust van het armoedig kale monster toen hij een boottochtje maakte en het al nagenoeg was voltooid. Wel aangekondigd was het kantoor van Wagons Lits en het aangrenzende hotel naast het Centraal Station. Deze combinatie, die zich in korte tijd en in overstoorbaar tempo hoog heeft opgericht, staat dominant in het beeld van dit deel van de stad. De horizon boven het Stationsplein en het geteisterde havenfront is er vanuit vele gezichtshoeken ingrijpend door veranderd.

Hoe reageert een mens als hij een vertrouwde orde plotseling verstoord ziet? Met schrik en ongeloof, afgezien van de vraag of de orde door de verstoring is toegenomen of niet. Onze primaire reactie op een krachtige, onbescheiden ingreep in de oude stad door sloop of nieuwbouw is - het oordeel van sommige architecten daargelaten - altijd conservatief. Zelfs als we niet meer weten wat op de plaats van de sloop heeft gestaan, zijn we geneigd ons af te vragen of sloop wel nodig was geweest.

Bekomen van de eerste schrik en het primitief ongeloof, en na een grondige gewenningswandeling om het complex dat is ontworpen door de Amsterdamse architecten Benthem en Crouwel, kwam ik tot de slotsom dat de orde door de verstoring geweldig is toegenomen en dat met het Wagons Lits gebouw aan de westzijde van het Centraal Station de binnenstad van Amsterdam een architectonische en stedebouwkundige aanwinst rijker is geworden.

Controverse

De huidige twisten over de plannen voor de IJ-oevers lijken een regelrechte voortzetting van de twisten die in het laatste kwart van de vorige eeuw werden gehouden over de bouw van het Centraal Station dat uiteindelijk in 1889 in gebruik werd genomen. In die tijd werd de heftige controverse veroorzaakt door de aanleg van een kunstmatig eiland in het Open Havenfront waardoor de directe relatie van de stad met het water werd verbroken. Nu is een van de grote vragen aan oeverplanners en stadsbestuurders hoe we die relatie niet alleen weer kunnen repareren, maar ook mooi en opwindend kunnen maken zonder het Centraal Station en het kunstmatige eiland af te breken. Het is een kinderachtige samenvatting van een knoedel reusachtig ingewikkelde vraagstukken, want bijvoorbeeld, wie moet zo'n kostbare relatie betalen?

Terwijl deze kwestie zich in eindeloze deining voortsleept, is met relatief weinig weerstand op het Stationsplein nu het eerste openlijke teken van een herstelde band tussen de stad en het onzichtbare IJ-water verschenen, de scheepstoren van Wagons Lits.

Het elf verdiepingen hoge kantoorgebouw staat op een voor de stad beeldbepalende plaats, maar voor de bouw op een onmogelijk krap terreintje. Vandaar dat de toren op zeven kolommen is gezet en de gebogen weg aan de voorkant er - voor voetgangers levensgevaarlijk - onderdoor loopt. Voor het tegen de spoordijk aangebouwde toegangsgedeelte was niet meer dan een wigvormig stukje begane grond beschikbaar en de onmogelijk schuin weggemoffelde ingangspartij is dan ook niet het sterkste onderdeel van het gebouw. Door de ellipsvormige plattegronden kent de toren geen uitgesproken voor- of achterkant. Hij kijkt met eenzelfde openheid naar de Dam als naar het IJ.

Aan de buitenzijde van de gevels die in horizontale lagen zijn opgebouwd uit zilvergrijze aluminium platen en helder glas, zijn zoveel verschillende elementen van eveneens zilvergrijs aluminium opgehangen, dat een kleine studie is vereist om de gevelop- en -aanbouw te ontleden. De gedachte aan ontwerpers-aanstellerij om een zo indrukwekkend mogelijke high tech architectuur te verkrijgen, sloot ik aanvankelijk niet uit, hoewel het duo Benthem Crouwel nooit eerder blijk heeft gegeven van een overbodige buizen- en stangenkoketterie, of van verraad aan de zuivere functionaliteit. Maar gelukkig blijken de rondlopende dienstbalkons, de eveneens aan de buitenkant gemonteerde, bestuurbare zonneweringlamellen, de open brandtrappen langs de gehele hoogte van de westelijke zijgevel en de unieke geschubde dakopbouw, er uitsluitend te zijn om praktische redenen. Dat de fragiele, constructieve gevel-elementen een essentiële rol spelen bij de levendige verdeling van licht en schaduw en zo de esthetische waarde van het gebouw hoog opdrijven, ligt besloten in het avant-garde adagium van de vooroorlogse Moderne Beweging "vorm volgt functie'. Voor de duidelijkheid van de architectuur van Jan Benthem (1952) en Mels Crouwel (1953) moet aan "functie' nog "constructie' worden toegevoegd.

"Vorm volgt functie en constructie' is van toepassing op vrijwel alle ontwerpen die Benthem en Crouwel sinds het begin van hun samenwerking in 1979 hebben gemaakt. Omvangrijk hoogtepunt tot nu toe van hun vaardigheden als functionele architecten is de recente uitbreiding van Schiphol (vanaf 1989) met onder andere ontwerpen voor het nieuwe Stationsgebouw-west, de G-pier en het kantorencomplex P4.

Evenwicht

Waarom is de Wagons Lits toren in staat om het Stationsplein zo geweldig op te knappen? Omdat de toren onbevangen is, stilistisch niet sjoemelt of schippert - zoals bijvoorbeeld die zeldzaam onbeholpen uitbreiding van het Victoria Hotel aan de overkant van het Stationsplein. De toren van Benthem en Crouwel verheldert het "evenwicht van contrasten' en dat is, zoals we sinds de jaren twintig weten, van wezenlijk belang voor de toekomst van de stad waarbinnen oude en nieuwe bouwkunst naast elkaar moeten bestaan. De verfrissend moderne uitstraling van de toren reikt over het hele ruimtelijke gebied, zelfs tot aan de donkere negentiende-eeuwse neobarok van dat andere "landmark' in de omtrek van het Centraal Station, de St. Nicolaaskerk (1885- 1887) van A.C. Bleys. Ook het Havengebouw van Dudok en Magnée (1960) wordt door de toverstaf van de nieuwe toren aangeraakt. Deze typisch jaren-zestig creatie is onlangs grondig en goed herzien waardoor mijn terughoudende gevoelens voor dit gebouw al aan het wankelen waren geslagen. Maar nu het in één blikveld staat met de hogere, laat-twintigste eeuwse Wagons Lits toren, is het Havengebouw ronduit mooi geworden en architectuurhistorisch van belang.

Het ingetogen baksteensieraad in de stijl van de Amsterdamse School uit 1925, aan de Droogbak naast de spoorlijn, heb ik altijd gekoesterd. De schuine, neerwaartse blikken van de Wagons Lits toren, geven dit voormalig schooltje voor schipperskinderen echter nog meer schattige trekken dan het al had. En met dat aandoenlijke uiterlijk relativeert dit kleine gebouw dapper het pompeuze zelfbewustzijn van het zware, in neorenaissance stijl uitgevoerde, voormalig administratiekantoor van de Hollandse IJzeren Spoorwegmaatschappij (1884, C.B. Posthumus Meyes), de mastodont van de Droogbak.

Brug

Op en om het Stationsplein heerst architectonische en ruimtelijke wanorde, zoals geldt voor de meeste grootstedelijke stationspleinen. Het is de grote kracht van de moderne, aluminium toren van Benthem en Crouwel, dat hij zich gedraagt als een katalysator die de wanorde omzet in een helder evenwicht van contrasten. En alsof dit niet voldoende is, geven de architecten van het Wagons Lits gebouw nog een toegift. Aan het wegdek voor de mislukte torenvoet ontspruit een schitterende, nieuwe voetgangers- en fietsersbrug die met een magistrale, aluminium boog naar de Prins Hendrikkade aan de overkant zweeft. De voorgenomen fietsers- en wandelbrug over het IJ naar Amsterdam-Noord schijnt in recent noodweer uit de plannen te zijn weggewaaid. Ik zou zeggen: autoriteiten en meesterplanners, kijk naar deze oeververbinding in het klein en bezin u op herstel.

Nota bene: Het Ibis Hotel (180 kamers), tussen de toren aan de ene kant en de fietsenstalling-bunker en het Centraal Station aan de andere, behoorde ook tot de bouwopdracht. Aan dit plankgebouw viel voor de ontwerpers weinig eer te behalen. Zij waren gebonden aan een Frans standaardconcept met een economisch uitgekiende plattegrond - gang in het midden - en een hoogte van zeven lagen. De plaats van de badkamers - niet aan de gang, maar aan de buitenzijden - dicteerde de golvende lengtegevels. Benthem en Crouwel zijn nog te herkennen aan de mooie, glazen bouwstenen die ze voor de gevels gebruikten. Het grijsglanzende materiaal moest voor de verwantschap met de Wagons Lits toren zorgen en aan het koude cellenblok nog enige allure geven. In een toelichting bij de hotelbouw laten Benthem en Crouwel toch nog een ferm eigen geluid horen: “Door het patroon in de bouwstenen en het golven van de gevel ontstaan in het zonlicht en 's avonds met kunstverlichting schitteringen die een associatie met het alom aanwezige water zullen oproepen.”