De tijd dat ingenieur alleen techneutje kon spelen is voorbij; "De jonge ingenieur raakt in verwarring bij een vage opdracht'

De kwaliteit van de jonge ingenieurs is tegenwoordig aan veel kritiek onderhevig. Maar de crisis in de industrie kan niet aan hen worden geweten. “Wel zijn het magere jaren. We moeten bij de selectie van sollicitanten meer ingenieurs afwijzen dan vroeger”, zegt R. Donia, "senior technical member' bij Unilever.

ROTTERDAM, 5 FEBR. De ingenieursopleiding aan de universiteiten is te kort. De studenten doen genoeg technische kennis op, maar leren te weinig vaardigheden die nodig zijn voor het moderne kennisintensieve bedrijfsleven. Deze klacht staat centraal in het rapport dat de Adviesraad voor het wetenschaps- en technologiebeleid (AWT) vorige week publiceerde.

“Als je de jonge ingenieurs een precies omschreven opdracht geeft, kunnen ze die tot in detail uitwerken. Maar als als je hen, zoals in de praktijk veel vaker voorkomt, een vage opdracht geeft, raken ze in verwarring en hebben ze geen idee hoe ze het moeten doen”, aldus het hoofd marketing en innovatie van de Rotterdamsche Droogdokmaatschappij, P.F. Stuijvenberg. En prof. J.A. Roels, hoofd corporate strategy van Gist Brocades: “Het kost ons tegenwoordig meer training voordat de nieuwe ingenieurs in een team kunnen werken en produktief worden. Maar in commerciële ontwikkelingsprojecten gaat het juist steeds meer om snelheid.”

De ontevredenheid over de huidige ingenieursopleiding leeft breed in het Nederlandse bedrijfsleven, zo bleek uit een rondgang langs veertig bedrijven die de Adviesraad maakte op verzoek van de ministers van economische zaken en van onderwijs. “Wat me nog het meest verraste was de unanimiteit van de kritiek op de jonge Nederlandse ingenieurs” zegt dr. L.H. Ruiter, oud-directeur van het Unilever Research Laboratorium, die voor de AWT veel van de bedrijven bezocht. “Wetenschappelijk zijn ze prima, maar ze zijn te theoretisch, het zijn geen èchte ingenieurs meer. Ik hoorde bij de bedrijven vaak: "We sturen ze eerst maar een tijdje het veld in': met laarzen en een schop bij de wegenbouw zelf staan. En pas daarna kunnen ze voor het bedrijf geschikt werk verrichten.”

“Ze moeten veel beter gaan begrijpen dat de doelstelling van een bedrijf het maken van winst is”, oordeelt A.A. Olijslager, algemeen directeur van Friesland Frico Domo, over de jonge ingenieurs. “Technisch weten ze genoeg, maar je ziet bijvoorbeeld vaak dat ze machines of instrumenten gaan lopen uitvinden die je zo bij de grossier kunt kopen. Vroeger kon zo'n techneuterige instelling nauwelijks kwaad, maar die tijd is voorbij. De ontwikkelingsafdelingen zijn nu veel meer gentegreerd in het hele bedrijf.” En ondernemers die in het rapport van AWT worden geciteerd: “Hoe academischer des te risicomijdender” en “De universitaire ingenieurs van tegenwoordig willen zich uitsluitend bezig houden met zaken die ze leuk vinden.”

De rector magnificus van de Technische Universiteit in Delft, prof.drs. P.A. Schenck, deelt de kritiek. “Door de beperking van de studieduur dreigt dat we de ingenieurs niet meer zo afleveren dat ze kunnen meedingen op Europees niveau. Het vermogen tot synthetiseren en constructief ontwerpen is verminderd.”

Een internationaal vergelijkend onderzoek naar de kwaliteit van de studie elektrotechniek, uitgevoerd door een commissie onder leiding van het hoofd technologie van Philips Consumer Electronics, B.L.A. Waumans, leidde vorig jaar tot de conclusie dat het niveau van de opleiding voldoet aan de internationale standaarden, maar dat de opleiding te specialistisch is. Afgestudeerden zijn niet altijd goed voorbereid om in te spelen op relevante technische en wetenschappelijke veranderingen, zo luidde het oordeel. Uit het onderzoek bleek ook dat in Nederland de studenten maar 1.400 tot 1.600 uur per jaar aan hun studie besteden tegen 1.600 à 2.100 uur in de andere landen.

In 1991 bracht de AWT ook al een advies uit over de ingenieursopleiding en kwam toen tot dezelfde conclusies als dit jaar: de ingenieurs moet beter geleerd worden "systeemgericht' te ontwerpen. “Toen was er niet zo veel belangstelling, maar nu lijkt het erop dat de huidige problemen in de Nederlandse industrie de aandacht voor het probleem vergroten”, zegt dr. A. van Heeringen, secretaris van de AWT.

“De problemen bij Fokker, DAF en dergelijke kun je natuurlijk niet wijten aan de verminderde inzetbaarheid van de nieuwe ingenieurs. Daarvoor zitten ze nog niet op genoeg invloedrijke posities. En de technische kwalificaties zijn van behoorlijk kaliber. Maar het is wel een verdunningsproces. Nu worden de jongeren nog onder arm genomen door de ouderen, maar dat kan zo niet voort blijven duren”, zegt R. Donia van Unilever. “Het wordt eerst een probleem voor de kleinere bedrijven. Als de enige ingenieur op een kleine kartonfabriek nu denkt: "ik neem er iemand bij', dan zal hij merken dat het niet gemakkelijk is om een geschikte jonge ingenieur te vinden die niet eerst intensief moet worden begeleid alvorens gewoon mee te kunnen draaien.”

De ontevredenheid van het bedrijfsleven over het niveau van de technische opleidingen in Nederland richt zich vrijwel uitsluitend op de ingenieurs die zijn afgestudeerd aan een van de drie technische universiteiten in Nederland, zo blijkt uit het AWT-rapport. Over de ingenieurs die zijn opgeleid aan de hogescholen, die de titel "ing.' dragen en zich vooral bezighouden met de technische uitvoering en de constructie van nieuwe zaken, is het bedrijfsleven “zeer tevreden”. En ook de gepromoveerde ingenieurs die vooral wetenschappelijk onderzoek verrichten staan hoog aangeschreven. Maar daar tussenin, tussen het fundamentele onderzoek en het technische constructie, blijken de ingenieurs onvoldoende in staat te zijn de hun toegedachte rol van "systeemgericht ontwerper' te vervullen. De nieuwe ingenieurs zijn te weinig in staat om samen te werken met collega's uit andere disciplines, oordeelt de Adviesraad. Ongeveer de helft van de universitaire ingenieurs vindt werk in functies waar ontwerpcapaciteiten een belangrijke rol spelen. De centrale vraag bij de herstructurering van de ingenieursopleiding is volgens de raad dan ook: hoe kunnen we economisch overleven?

De universitaire opleiding duurt nu officieel vier jaar, maar door de overladenheid van het programma doen vrijwel alle studenten er langer dan vijf jaar over. De AWT herhaalt naar aanleiding van de klachten van de bedrijven zijn advies van twee jaar geleden. De opzet van de studie zou moeten worden veranderd: de vierjarige opleiding moet echt vier jaar worden en vervolgens moet een groot deel van de studenten, die dan al de titel "drs.' hebben, nog een sterk praktisch gerichte tweede fase kunnen doorlopen om de typische ontwerperskwaliteiten te verwerven. Dan pas zouden ze zich "ir.' mogen noemen. De tweede-faseopleiding tot ontwerper is in de afgelopen jaren echter alleen aan de Technische Universiteit in Eindhoven goed van de grond gekomen.

De drie technische universiteiten zien meer in verlenging van de officiële studieduur tot vijf jaar. Minister Ritzen (onderwijs) sluit verlenging van de eerste-faseopleiding niet uit. Hij wil echter de uitkomsten van een internationaal vergelijkend onderzoek naar de kwaliteit van de opleiding afwachten, voordat hij daarover beslist. Dat onderzoek is naar verwachting in de zomer afgerond.