De angst voor Baäl

Twintig jaar lang heb ik op zondagmorgen in de Eredienst de Wet des Heeren horen voorlezen.

Zo'n duizend keer heb ik een dominee horen aanheffen met de woorden: "Ik ben de Here, uw God, die u uit Egypteland, uit het diensthuis, uitgeleid heb.' Dat zei hij week in, week uit tegen Maassluizers van wie de meesten nooit verder geweest waren dan het eiland Rozenburg! En dan volgde het eerste gebod: "Gij zult geen andere goden voor mijn aangezicht hebben.' Daar was ik iedere week weer verbaasd over. Van de zeshonderd gelovigen die de Zuiderkerk vulden was er immers niemand die er ook maar naar taalde om een andere god te dienen, laat staan goden in meervoud. Waarom moest daar nu voor gewaarschuwd worden? Diende je God niet, dan was je ongelovig, athest, maar "andere goden'..?

Waarom was God er toch zo bang voor dat je naar een andere god zou overlopen? Die bestonden toch niet? Als je de enige Haringverkoper was, hoefde je er toch niet bang voor te zijn dat de mensen hun haring van een ander haringstalletje zouden willen betrekken? Maar in de bijbel, en vooral in het Oude Testament, werd keer op keer gewaarschuwd voor andere goden. Of er werd, zoals in Psalm 50 vers 1 of psalm 136 vers 2, gesproken over de God der goden. God der goden? Was God dan een soort Oppergod, met lagere goden onder zich? Het leek erop, want in psalm 95 werd hij zelfs een Koning der goden genoemd. En in psalm 82 las je notabene: "God staat in de vergadering der goden, Hij houdt gericht te midden der goden.' Zo'n tekstwoord impliceerde toch allerminst dat die goden niet bestonden. Integendeel, ze bestonden blijkbaar wel, en vergaderden soms zelfs, met God als voorzitter. Zo begreep ik dat in mijn kinderlijke argeloosheid.

Ik weet nog goed dat ik, twaalf jaar oud, geduldig de hele bijbel heb doorgelezen op zoek naar dat éne verlossende woord, de simpele uitspraak dat alleen God bestond en dat alle andere goden hersenschimmen waren. Die uitspraak heb ik toen niet gevonden. Ik kwam alleen maar teksten tegen waaruit bleek dat er behalve God ook nog tal van andere goden existeerden. Zeker, God was de grootste, in psalm 86 werd gezegd: "Onder de goden is niemand U gelijk, o Here' en al die andere goden werden bespot en gekleineerd, of er werd zoals in het prachtige verhaal van Elia op de Karmel, van de god Baäl gezegd: "Hij is zeker in gepeins, of hij heeft zich afgezonderd, of hij is op reis; misschien slaapt hij en moet wakker worden.' Maar dat ene woord waarnaar ik snakte werd nooit gezegd: "Baäl bestaat helemaal niet.'

Van al die andere goden die met name het Oude Testament bevolken is Baäl ongetwijfeld de meest geduchte. Zo'n tachtig keer wordt zijn naam in het Oude Testament genoemd. Blijkbaar bestaat hij in meervoud, want de eerste keer dat hij genoemd wordt, Richteren 2 vers 11, staat er: "Toen deden de Israelieten wat kwaad is in de ogen des Heren en gingen de Baäls dienen.' Twee teksten verderop buigen de Israëlieten zich ook neer voor Astarte, en één hoofdstuk verder dienen ze ook nog de god Asjéra. Maar Baäl is de grootste verleider, voor hem worden steeds opnieuw altaren opgericht en elke keer moet God vreselijk woeden om de aanbidding terug te winnen van Israëlieten die zich warempel alweer voor de één of andere Baäl gebogen hebben, Baäl-Berith bijvoorbeeld (Richteren 8 vers 33). De laatste keer dat Baäl in het Oude Testament voor komt, zegt God (Zefanja 1 vers 4): "Ik zal uitroeien het overblijfsel van Baäl.' Waarom moest iets uitgeroeid worden dat nooit bestaan had? Ik begreep er niets van. Zelfs in het Nieuwe Testament werpt Baäl nog zijn schaduw. In Romeinen 11 vers 4 wordt de uitspraak aangehaald dat God zevenduizend man heeft doen overblijven die hun knie voor Baäl niet gebogen hebben. En diezelfde uitspraak wordt ook weer aangehaald in artikel 27 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis.

Het heeft jaren geduurd voor ik de juiste conclusie wist te trekken: dat in het Woord des Heren nergens het bestaan van andere goden in twijfel wordt getrokken. Ik weet niet zeker hoe ik tenslotte tot die conclusie kwam. Was het na lezing van de tekst 1 Corinthiërs 8 vers 5: "Want al zijn er ook zogenaamde goden, hetzij in den hemel, hetzij op de aarde - en werkelijk zijn er goden in menigte, en heren in menigte - voor ons nochtans is er maar één God, de Vader, uit wien alle dingen zijn.'

En werkelijk zijn er goden in menigte! Dat mag je wel zeggen als je het Oude Testament leest. De God van Israël concurreert voortdurend met "goden in menigte', en blijkbaar zelfs met godinnen (Astarte). Overigens komt het woord godin in het Oude Testament niet voor. In het Nieuwe Testament wordt eenmaal de godin Artemis genoemd, en ook het bestaan van die godin wordt niet in twijfel getrokken.

Met andere woorden: wie in God gelooft, wie de Bijbel ziet als Gods woord, kan er niet omheen ook te geloven in het bestaan van tientallen andere kleinere en machtelozere goden. Een Christen moet ook geloven in Baäl, sterker: in een hele verzameling Baäls. God mag dan, volgens psalm 96 geducht zijn "boven alle goden', maar zo'n uitspraak impliceert als vanzelfsprekend dat die andere goden ook bestaan. Je kunt niet geducht zijn boven hersenschimmen, boven iets dat niet bestaat.

Toen ik eenmaal zover was, heb ik niet mijn knieën voor Baäl gebogen, maar ben ik aan het bestaan van God gaan twijfelen. Als het geloof in God, zoals uit het oude en zelfs Nieuwe Testament bleek, met grote vanzelfsprekendheid ook inhield dat je in het bestaan van "goden in menigte' moest geloven, werd paradoxaal genoeg juist het bestaan van God zelf steeds minder geloofwaardig.

Zo is het mij vergaan, maar je kunt je ook heel goed voorstellen dat iemand die het Oude Testament nauwkeurig leest en bemerkt dat God daarin onophoudelijk gewikkeld is in een concurrentieslag met andere goden - waarvan het bestaan nooit in twijfel wordt getrokken! - alle gewetensbezwaren om aan die andere goden een grijpstuiver te verdienen opzij zet. Zo, stel ik mij voor, moet het de Gereformeerde aannemer vergaan zijn die in Maassluis een alleraardigst moskeetje heeft neergezet. Je mag geen andere goden dienen, maar waarom zou je niet aan andere goden mogen verdienen?