"Als we buiten Europa blijven, hebben we geen invloed meer'

MARGARETHA AF UGGLAS, de Zweedse minister van buitenlandse zaken, was deze week in Den Haag om te onderhandelen over de voorwaarden van een eventueel EG-lidmaatschap van Zweden, dat onder meer privileges eist op het gebied van economie en defensie.

DEN HAAG, 5 FEBR. Zweden heeft weer een nieuw werkgelegenheidsproject: werkloze jonge academici bemannen van 's ochtends negen tot 's avonds negen een informatie-telefoon over de EG. Het project, dat de regering in samenwerking met het arbeidsbureau heeft opgezet, is onderdeel van een 15 miljoen gulden kostende campagne om de Zweden te overtuigen van het nut van het EG-lidmaatschap. Een campagne in het buitenland wordt geleid door de ministers van Europese zaken en van buitenlandse zaken, Dinkenspiel en Margaretha af Ugglas, die de Europese hoofdsteden afreizen om te onderhandelen over de voorwaarden waaronder Zweden kan en wil toetreden.

Onomstreden is het lidmaatschap van de Europese Gemeenschap in Zweden niet - integendeel: de tegenstand neemt alleen maar toe, in opiniepeilingen inmiddels tot zestig procent. “We bevinden ons nu in een kritieke fase: het aanvankelijke, wat ondoordachte enthousiasme maakt plaats voor een meer gereserveerde houding, nu de gevolgen van het lidmaatschap duidelijk worden”, constateert minister af Ugglas. Desondanks heeft zij er het volste vertrouwen in dat de bevolking zich uiteindelijk in het daarvoor benodigde referendum voor toetreding zal uitspreken.

“Je kunt een "nee' natuurlijk nooit uitsluiten, maar het is mijn overtuiging dat dat niet in het nationale belang is. De "nee-mensen' in Zweden hebben ook geen alternatief te bieden. Als we buiten de EG blijven, hebben we geen invloed op het beslissingsmechanisme in Brussel en worden we in Europa gemarginaliseerd.” Ze wijst ook op de economische noodzaak van toegang tot de grote Europese markt.

Het feit dat de meeste Noren zich vooralsnog tegen de EG keren, vindt ze niet bedreigend: “Voor Zweden is vooral van belang dat de Finnen nu ook het lidmaatschap willen - daar wordt meer naar gekeken.” Zelf vergeleek de minister eind vorig jaar de Zweedse bedenkingen tegen "Brussel' met die van Groot-Brittannië, door erop te wijzen dat beide landen een brug of een tunnel nodig hebben om bij het continent te komen.

Zweden sluit zich niet zonder voorwaarden aan bij de EG. “We hebben vrijhandel met de Baltische staten. Op die manier helpen we die landen. Dat moet gecontinueerd worden.” Verder moet er een aparte regeling komen voor de sub-arctische landbouw in het hoge noorden van het land. Zweden wil bijdragen uit de landbouw- en regionale fondsen, zoals er nu ook voor de landbouw in de bergen al speciale EG-faciliteiten zijn. De verkoop van alcoholische dranken moet een staatsmonopolie blijven. “De Zweedse markt moet uiteraard toegankelijk worden voor alle merken Schotse whisky en Franse wijn, maar dat hoeft het staatsmonopolie van de verkoop (uitsluitend via staatswinkels) van deze dranken niet aan te tasten”, meent de minister. Of dit verenigbaar is met het EG-beginsel dat een produkt dat in één EG-land legaal op de markt is gebracht vrij door de EG moet kunnen circuleren, zal tijdens de onderhandelingen nog moeten blijken.

En natuurlijk wil Zweden een eigen commissaris in Brussel en moet Zweeds een van de officiële talen van de Gemeenschap worden, vindt af Ugglas - ook al zal de besluitvorming er daarmee niet efficiënter op worden, zeker als tegelijkertijd ook Noorwegen en Finland toetreden. Gevraagd of zij misschien wel Frans, Duits en Engels als de enige drie werktalen zou accepteren antwoordt de minister: “Ik vind dat de Zweedse staatsburgers in hun eigen taal van de Brusselse besluiten moeten kunnen kennisnemen. Maar praktische problemen zijn altijd oplosbaar en ik verwacht dat wij daarbij minder problemen zullen maken dan de Spanjaarden of Italianen.”

Een veelgestelde vraag van haar collega's is die naar de toekomst van de Zweedse veiligheidspolitiek. Tegen de Europese tendens in is Zweden al geruime tijd bezig zijn uitgaven voor defensie te verhogen. De centrum-rechtse coalitieregering onder leiding van de Conservatieve premier Carl Bildt, die in het najaar van 1991 aantrad, vond dat onder de sociaal-democraten de defensie enigszins verwaarloosd was, zo blijkt uit de woorden van af Ugglas. Daarom besloot ze de uitgaven voor de landsverdediging over een periode van vijf jaar met twintig procent te laten stijgen.

“Niemand rekent nog op een grootscheepse aanval vanuit het Oosten, maar de instabiliteit is groter geworden en Rusland blijft een militaire macht van betekenis. Bovendien is een groot deel van de strijdkrachten van de voormalige Sovjet-Unie die in het kader van het CFE-verdrag (ter beperking van de conventionele bewapening, red.) uit Midden-Europa zijn weggehaald, in het noordwesten van Rusland terechtgekomen” - vlakbij Zweden dus.

Zij wijst er verder op dat een sterke, onafhankelijke defensie van oudsher kenmerkend geweest is voor de Zweedse opstelling. Ze omschrijft een sterk en onafhankelijk militair apparaat als de Zweedse bijdrage aan de bestrijding van de instabiliteit in de regio.

De eigen positie die de Zweden op dit punt innemen zal zeker doorklinken bij de deze week begonnen besprekingen over toetreding tot de EG, waarbij ook het in het Verdrag van Maastricht beoogde gemeenschappelijke buitenlandse en veiligheidsbeleid aan de orde komt. “We hebben geen reserves ten opzichte van "Maastricht' ”, aldus af Ugglas, “maar we leggen er de nadruk op dat we een niet-gebonden, of liever een niet met een militaire alliantie verbonden land zijn. We hebben een eigen onafhankelijke defensie en dat willen we zo houden. Tegelijk zeggen we: we zullen geen deuren naar de toekomst sluiten. We staan open voor nieuwe ontwikkelingen. Het is een geleidelijk proces voor ons, van neutraliteit naar samenwerking.”

Desgevraagd zegt de minister zelfs de optie van het lidmaatschap van de Westeuropese Unie (WEU), het militaire samenwerkingsverband van negen EG-landen, niet op voorhand te willen uitsluiten. Maar ze vindt ook dat een blijvende Amerikaanse aanwezigheid in Europa van groot belang is voor de stabiliteit en het evenwicht op het continent. Over de verdere toekomst wil de minister het hoofd nog niet breken: “Over hoe het verder moet met de WEU of een Eurokorps zijn de huidige lidstaten het zelfs nog niet eens, daarover hoeven wij ons nu nog geen opinie te vormen.”