Allochtonenbeleid bedrijven openbaar

DEN HAAG, 5 FEBR. Een meerderheid in de Tweede Kamer vindt dat bedrijven en instellingen met meer dan 35 werknemers verplicht moeten worden jaarlijks in het openbaar te rapporteren hoeveel allochtonen zij in dienst hebben. Ook moeten de bedrijven jaarlijks plannen maken waarin ze aangeven hoe ze de positie van werknemers van buitenlandse afkomst in hun bedrijf denken te verbeteren en hoe ze zonodig hun aantal denken te vermeerderen.

Dat deze gegevens openbaar moeten worden, is in de Tweede Kamer de opvatting van PvdA, VVD, D66 en Groen Links. Dit standpunt wijkt af van het kabinetsvoorstel dat minister De Vries (sociale zaken en werkgelegenheid) en minister Dales (binnenlandse zaken) eind vorig jaar bij de Tweede Kamer hebben ingediend. Van de grote fracties is alleen het CDA, net als het kabinet, geen voorstander van de openbaarheid.

Bij de Tweede Kamer liggen op het ogenblik twee wetsvoorstellen die de werkgelegenheid voor allochtonen beogen te bevorderen. Behalve het kabinetsvoorstel is dat een al eerder ingediende initiatiefwet van VVD, D66 en Groen Links. Daarin was de openbaarheid van de rapportage het uitgangspunt. Bij die opvatting heeft de PvdA-fractie zich nu aangesloten. Volgens de PvdA-fractie moeten minderheden en hun organisaties over de bewuste bedrijfsgegevens kunnen beschikken. Het Kamerlid Doelman-Pel laat namens de CDA-fractie echter weten dat ze “geen meerwaarde” kan ontdekken in het openbaar maken, “omdat kale cijfers niet alles zeggen over inspanning, mogelijkheden en onmogelijkheden van een bedrijf”.

Werkgeversorganisaties hebben zich tot nu toe verzet tegen de verplichte rapportages voor bedrijven over hun allochtonenbeleid en zeker tegen openbaarmaking ervan. Behalve huiver voor nieuwe "bureaucratische' verplichtingen speelt daarbij ook de angst voor het "schandpaaleffect' een rol: bedrijven zouden openlijk kunnen worden gekritiseerd voor hun tekortschietende beleid bij het aanstellen van allochtonen.

De politieke activiteiten zijn gevolgd op het akkoord dat werkgevers en werknemers in 1990 in de Stichting van de Arbeid met elkaar sloten om in de jaren 1991 tot en met 1994 in totaal 60.000 banen voor allochtonen beschikbaar te stellen. Kabinet en Tweede Kamer vrezen dat zonder wettelijke ondersteuning van deze afspraak te weinig terechtkomt.

Uit de laatste cijfers van het Centraal Bestuur voor de Arbeidsvoorziening (CBA) blijkt dat de arbeidsbureaus in 1992 ruim 16.000 allochtonen aan een baan hebben geholpen en daarmee hun taakstelling, aldus CBA-voorzitter R. de Boer, “ruimschoots hebben gehaald”. In 1991 kwamen 11.500 allochtonen via de arbeidsbureaus aan het werk en in 1990 7.700.

Ondanks hun verzet tegen de wetsvoorstellen erkennen werkgevers dat de afspraak over de 60.000 banen niet afdoende is om de werkgelegenheid voor allochtonen evenredig te laten groeien met de omvang van deze groep. De voorzitter van het Nederlands Christelijk Werkgeversverbond, J.C. Blankert, wijst erop dat in 1991 alleen al 72.000 buitenlanders naar Nederland kwamen, voornamelijk als gevolg van gezinsvorming of gezinshereniging. Volgens Blankert “moeten we af van het zieligheidssyndroom: “Allochtonen zijn niet zielig”. Hij vindt dat bedrijven die met minderheden in aanraking komen beter moeten worden begeleid en ziet dat ook als een taak voor zijn organisatie.