WVC's goedgekeurde kunst

Alleen staatskunst producerende ambtenaren lijken in de toekomst in Nederland nog kunstenaar te mogen zijn. De overheveling van 20 miljoen gulden van Sociale Zaken naar WVC, waartoe de ministerraad vrijdag besloot, is een nieuwe stap in die richting. Het Fonds voor Beeldende Kunst, Vormgeving en Bouwkunst gaat met dat geld straks 1200 beeldende kunstenaars in levensonderhoud voorzien. De overige ongeveer 5000 beeldende kunstenaars, musici, acteurs en dansers moeten zichzelf maar redden of zich omscholen. Want op de bijstand kunnen ze straks onder de nieuwe Algemene Bijstandswet geen beroep meer doen.

De directeur van het Fonds, Geert Dales schreef in NRC Handelsblad van 26 januari, dat niet erg te vinden: er zijn te veel kunstenaars, dus deze sanering via het fonds is "verdedigbaar'. Dales ziet zijn fonds als een uitgelezen instelling om het aantal kunstenaars te beperken. Maar het fonds BKBV is bedoeld voor het bevorderen van de ontwikkeling van de beeldende kunst, vormgeving en bouwkunst. Het is geen instrument voor het voeren van volumebeleid op de arbeidsmarkt.

In de afgelopen jaren heeft een ongekende concentratie van alle direct inkomensvormende instrumenten voor kunstenaars in het fonds BKBV te zien gegeven. Door toevoeging van gelden van Sociale Zaken heeft het fonds op dit terrein een monopoliepositie bereikt. De kunstenaarsorganisaties wijzen dit monopolie af, juist omdat toetsing van kwaliteit in de kunst per definitie een sterk subjectief karakter heeft. Als verschillende instanties de kwaliteit van kunst zouden toetsen, is er nog kans op een waardevol totaal. Maar monopolisering van die subjectiviteit is eerder een remmende dan een stimulerende factor in de ontwikkeling van de kunst. Zo'n monopolisering is ook zichtbaar voor de afname- en distributie-instrumenten (opdrachten, publikaties, manifestaties, rentesubsidieregeling) in het Mondriaanfonds. De maatregelen van WVC gezamenlijk creëren een gesloten circuit van door overheidswege goedgekeurde kunst. Dat is dodelijk voor een goed kunstklimaat.

Dales vergelijkt het aantal kunstenaars in Nederland met dat in het buitenland. Maar de cijfers die hij noemt zijn omstreden, en niet voldoende om een beleid op te baseren. Hij stelde dat Frankrijk 18.000 kunstenaars actief zijn, terwijl de Franse "CBS' (INSEE), het houdt op 50.000. Ook stelt hij dat de er gezien de krappe kunstmarkt in Nederland te veel kunstenaars zijn. Dat is misschien rekenkundig juist, maar cultuurpolitiek gezien een bedenkelijk argument. Het gaat te veel ervan uit dat de huidige omzet ook de (cultuur-politiek) gewenste omzet zou zijn en suggereert dat, ondanks de (relatief uiterst hoge) kostprijs van kunstprodukten, het marktmechanisme het kunstbeleid kan reguleren. Dat klopt niet met de praktijk van het kunstbeleid, waarin de overheid enerzijds (in de podiumkunsten) subsidies verleent om de prijs voor de "consument' te verlagen en anderzijds kunst ondersteunt waar juist (nog?) geen markt voor is.

Het vergroten van de markt voor de beeldende kunst is pas sinds kort een doelstelling van het overheidsbeleid. Maatregelen om meer mensen meer geld te laten besteden aan meer beeldende kunst zijn er nauwelijks. Ze zouden overigens wel degelijk kunnen leiden tot een drastische uitbreiding van de markt. Het is straks zo dat het oordeel van het fonds zich niet beperkt tot wat, althans naar de maatstaven van het fonds, goede kunst is, maar dat daarbij - door de introductie van het volume-argument - ook de vraag beantwoord moet worden wie nu en ooit nog kunst mag maken. Het fonds wordt, voor wie zich na vier jaar beroepsopleiding als kunstenaar aandient, al direct de ultieme scherprechter voor wie zich mogelijk nog vier jaar mag bewijzen of wie zich eigenlijk nooit meer beeldend kunstenaar zou mogen noemen.

De Federatie van Kunstenaarsverenigingen, Kunstenbond FNV en BBK vinden dat een onacceptabele zaak. Wij pleiten voor een aparte status voor de kunstenaar als bijzondere zelfstandige ondernemer in de nieuwe bijstandswet. Dat betekent dat een kunstenaar niet binnen één, maar binnen drie jaar moet bewijzen dat hij zelfstandig een bestaan kan opbouwen, met een eventuele verlenging op grond van winstverwachting of kwaliteit. Dit biedt - in tegenstelling tot de 20 miljoen voor het fonds BKBV - ook een oplossing voor andere groepen scheppende kunstenaars en een toenemend aantal theatermakers, die nu eveneens voor het opzetten van een beroepspraktijk gebruikmaken van de bijstand. De voorstellen tot verscherping van de bijstandswet zullen anders ook voor hen desastreuze gevolgen hebben.

Zo selecteert de "staat' niet aan de basis wie wel en wie niet geschikt is zijn beroep uit te oefenen. De staat kan wel, via subsidies en dergelijke investeren in kwaliteit en daarmee sommigen extra stimuleren in het vergroten van hun kunstenaarschap. Het Nederlandse kunstklimaat als geheel zal ook profiteren van meer pluriformiteit in het aanbod en een betere wisselwerking tussen vraag en aanbod.