Veredelingsbedrijven kunnen best leven met Ziedende Bintjes

Vorig jaar vernietigde de Raad van State zes vergunningen voor veldproeven met genetisch gemodificeerde planten. Het ministerie dat ze verleende, noch de bedrijven die ze hadden aangevraagd, zitten ermee.

De laatste twee, drie jaar begint er schot te komen in de veldproeven met genetisch veranderde (gemodificeerde) planten. Steeds meer biotechnologische bedrijven zien brood in de verbetering van gewassen door de gerichte wijziging of toevoeging van erfelijke eigenschappen. Men sleutelt aan gewassen als koolzaad, aardappel, mais, katoen, sojaboon, suikerbiet, tabak en tomaat. Vaak met als doel om ze resistent te maken tegen herbiciden, ziekten, virussen of insekten, soms ook ter directe verhoging van de kwaliteit. Een enkel bedrijf richt zich zelfs al op de modificatie van sierbloemen.

In de meeste Westerse, bij de OECD aangesloten landen moeten voorstellen voor veldproeven vooraf door de overheid worden goedgekeurd. Sinds dat in 1986 voor het eerst gebeurde, is er sprake van een exponentiële stijging. In 1989 bedroeg het aantal goedgekeurde aanvragen wereldwijd ongeveer 200, vorig jaar bijna het dubbele.

Ruim op kop lopen de Verenigde Staten, waar inmiddels in totaal voor zo'n 500 lokaties vergunningen zijn verstrekt. Nederland bezet, na Canada, Frankrijk, België en Groot-Britannië, met enkele tientallen lokaties de zesde plaats. Bescheiden ten opzichte van Amerika, voortvarend vergeleken met bijvoorbeeld het biotech-schuwe Duitsland.

De eerste (zes) Nederlandse aanvragen onder het Besluit Genetisch Gemodificeerde Organismen van de Wet Milieugevaarlijke Stoffen dateerden uit 1990. Vorig jaar waren het er 15. Volgens de VROM-beleidsmedewerker die ze behandelt, mr. drs. Piet van der Meer, zegt dat echter niet nog zoveel over het aantal lokaties. ""Dat kan aanzienlijk groter zijn. Wij hebben op dit moment bijvoorbeeld één aanvraag liggen voor proeven op maar liefst veertig lokaties, waaronder veldproeven die langer lopen dan een jaar.''

Aanvragen voor veldproeven worden in ons land inhoudelijk beoordeeld door een onafhankelijke wetenschappelijke commissie, de Voorlopige Commisie Genetische Modificatie (VCOGEM). Die toetst de plannen en de protocollen op mogelijke risico's. Om dat te voorkomen moet de aanvrager voorzorgsmaatregelen nemen, uiteenlopend van het afknippen van de bloemen (om natuurlijke bestuiving tegen te gaan) tot het kweken in kassen of onder fijn gaas. De VCOGEM beoordeelt elke aanvraag afzonderlijk en geeft vervolgens een advies aan het ministerie van VROM. Hoewel het ministerie niet is gehouden om de raad van de VCOGEM op te volgen, leidde tot nu toe elk positief advies tot een vergunning.

Vernietigd

Eind vorig jaar werden door de Raad van State zes al lopende vergunningen voor veldproeven vernietigd. Eerst, in oktober, drie van het Zeeuwse zaadveredelingsbedrijf Van der Have BV, nadat bezorgde boeren uit de omgeving van de proefvelden er bezwaar tegen hadden aangetekend. En in december nog eens drie, onder meer van het Leidse biotech-bedrijf Mogen BV, na een procedure aangespannen door de Stichting Natuur & Milieu.

De motivering voor de vernietigingen had uitsluitend te maken met juridische details en niet met inhoudelijke bezwaren. In een reactie liet het ministerie van VROM weten "niet ontevreden' te zijn met de uitspraken, omdat er eindelijk duidelijkheid was ontstaan over de te voeren procedures. Ook de getroffen bedrijven voelden niet erg benadeeld, omdat ze de uitspraken hadden voorzien en inmiddels al lang weer nieuwe, aangepaste vergunningen hadden aangevraagd. Dat nam niet weg dat de Stichting Natuur & Milieu de uitspraak als een overwinning vierde en zich "buitengewoon blij' betoonde.

Toch bestond er, vooral van de kant van de aanvragende bedrijven, behoefte om nog eens nader met de VCOGEM en het ministerie van gedachten te wisselen over de praktische kanten van vergunningsvoorwaarden. Het ministerie van VROM belegde daartoe vorige week in Utrecht een informele bijeenkomst, waarbij alle betrokken partijen waren uitgenodigd. Niet alleen de aanvragers van veldproeven, de milieu-inspectie en de VCOGEM, maar ook de bezwaarmakende partijen en de pers. Een informele ronde-tafelconferentie kortom, waarbij voor- en tegenstanders vrijelijk met elkaar van gedachten konden wisselen.

Het was een curieuze, enigszins op twee gedachten hinkende bijeenkomst. Aan de ene kant waren er de biotechnologische bedrijven die de gelegenheid wilden aangrijpen om met de VCOGEM en het ministerie de praktische kanten van de procedures door te nemen. Aan de andere kant waren er de vertegenwoordigers van maatschappelijke organisaties als Friends of the Earth, die een principiële discussie wilden voeren over de maatschappelijke wenselijkheid van de biotechnologie als zodanig. Die beide uitgangspunten lagen ver uit elkaar, te ver meenden sommigen na afloop. Ofschoon er veel tijd voor discussie was ingeruimd, vonden vertegenwoordigers van beide kampen dat hun problematiek te weinig aan bod was gekomen.

Intussen was er wel iets unieks gebeurd. In veel gevallen maakten aanvragers van en bezwaarmakers tegen veldproeven voor het eerst met elkaar kennis. Een dialoog die tot nu toe nauwelijks op gang was gekomen en die was gepolariseerd als gevolg van de vernielingen door anonieme actiegroepen als de Ziedende Bintjes, de Razende Rooiers en de Vurige Virussen, vond eindelijk plaats. Mensen die elkaar voorheen zowat voor rotte vis uitscholden zaten keurig met elkaar om de tafel, luisterden naar elkaars presentaties en wisselden informatie uit. Vrijwel alle deelnemers waren ervan overtuigd dat de ontmoeting zinvol en nuttig was geweest, en in de toekomst periodieke herhaling verdiende.

Vriendelijk klimaat

Intussen was het wel duidelijk dat de biotechnologische bedrijven zich, de maatschappelijke bezwaren ten spijt, voor de toekomst weinig zorgen hoeven te baren. Ze juichen toe dat er, met de vernietigingen door de Raad van State, heldere jurisprudentie is ontstaan over de aanvraagprocedures. Kortom, ze vinden het regelgevingsklimaat in Nederland nog steeds vriendelijk genoeg om niet naar het buitenland te hoeven uitwijken.

Dat laatste geldt ook voor het Zeeuwse zaadveredelingsbedrijf Van der Have BV, dat niet alleen drie van zijn vergunningen vernietigd zag maar tevens tot tweemaal geconfronteerd werd met vernielingen op de proefvelden. Drs. Theo A.W.M. van der Saat van de afdeling Biotechnologie van Van der Have: ""We vinden niet dat het niet kan in Nederland, enthousiaster kan ik het niet formuleren. De wettelijke kaders zijn er en er valt mee te werken. Hoewel we vlak aan de Belgische grens zitten en niets makkelijker voor ons zou zijn dan om onze veldproeven een paar kilometer te verhuizen, zien we daar geen reden toe.''

De vernietiging van de drie vergunningen van Van der Have had te maken met het juridische begrip "inrichting'. Daaronder vallen bijvoorbeeld de laboratoria, maar dan met inbegrip van terrein en gebouwen eromheen. Het is echter niet altijd even duidelijk wat wel en wat niet onder het begrip valt. Tot augustus 1992 was het mogelijk dat in een enkel geval een veldproef onder de hinderwet viel en niet onder het speciaal daarvoor geschapen Besluit Genetisch Gemodificeerde Organismen. Vanaf september vorig jaar is de wettelijke regeling zo aangescherpt dat iedere veldproef, binnen of buiten de inrichting, onder dit Besluit valt. De Raad van State oordeelde in de zaken bij Van der Have dat de veldproeven binnen de "inrichting' plaatsvonden en dus onder de hinderwet vielen, waarmee een procedurefout was gemaakt.

Aardappels

Soortgelijke juridische haarkloverij lag ook ten grondslag aan de vier andere vernietigingen tot dusver. Het Leidse bedrijf Mogen BV bijvoorbeeld had een vergunning lopen voor veldproeven met aardappels, resistent tegen het aardappelvirus X. Aan de vergunning zaten bepaalde restricties, die echter zouden worden opgeheven zodra drie extra vragen zouden zijn beantwoord. Natuur & Milieu tekende tegen deze gang van zaken bezwaar aan, omdat de procedure op deze manier niet meer eenvoudig publiekelijk controleerbaar zou zijn. Dr. Erik Jongedijk van Mogen BV noemt de vernietiging ""op zich prettig en logisch'', omdat ze duidelijkheid schept voor de toekomst. ""Het is een volkomen nieuw terrein, dus is het met wet- en regelgeving in eerste instantie nog wat zoeken. Er zullen zeker nog een aantal vernietigingen volgen, maar omdat we daarop hebben geanticipeerd zal dat voor ons geen extra tijdsverlies betekenen.''

Collega Theo Saat van Van der Have BV spreekt overigens desgevraagd nadrukkelijk tegen dat de lokaties van de proefvelden in de toekomst geheim zullen worden gehouden, zoals vorige maand in diverse kranten werd gemeld. ""Dat kan helemaal niet. Voor een vergunning kan worden afgegeven, moeten de beoogde lokaties in de kranten zijn gepubliceerd, opdat mensen eventueel bezwaar aan kunnen tekenen. Op het ministerie van VROM liggen de aanvragen voor iedereen ter inzage, compleet met de kadastrale nummers. Wie dus een van onze proefvelden wil vernielen, kan gewoon naar het ministerie gaan om de lokatie op te zoeken.

""De spelregels in Nederland zijn dat alles openbaar is. Zelf maken we er helemaal geen geheim van waar we onze veldproeven uitvoeren. We markeren onze velden duidelijk met borden, zetten er geen hekken omheen, bewaken ze niet en organiseren er aan de lopende band rondleidingen naar toe. Bij voorkeur kiezen we voor lokaties direct langs de openbare weg. Als je er van overtuigd bent dat je met iets goeds bezig bent, wil je je niet verstoppen.''