Tweede bedrijf van Angolese burgeroorlog bloedig ingezet

Een gewelddadige dood, honger en besmettelijke ziektes. Het zijn de risico's waaraan de Angolezen sinds een maand weer massaal zijn blootgesteld, nu het tweede bedrijf van hun burgeroorlog in alle hevigheid is losgebarsten.

Alleen al in januari, zo schatten diplomaten in Luanda, hebben zeker 10.000 mensen het leven verloren bij de gevechten in het hele land. De kans lijkt klein dat de geweren snel zullen zwijgen. Vredesberaad tussen vertegenwoordigers van de Angolese regering en de oppositiebeweging UNITA in de Ethiopische hoofdstad Addis Abeba liep vorig weekeinde uit op een jammerlijke mislukking. Zonder enige vooruitgang te hebben geboekt gingen de partijen uiteen met de vage belofte dat ze op 10 februari verder zouden praten.

Dat de partijen zelf allerminst rekenen op een snel bestand bleek dinsdag uit een mededeling van het Amerikaanse ministerie van buitenlandse zaken. Een zegsman verklaarde dat Washington over informatie beschikte dat beide kampen druk doende zijn extra wapens in het buitenland aan te schaffen.

Het verloop van de strijd is sinds het oplaaien van de jongste ronde gevechten begin januari grillig geweest. Aanvankelijk boekten de troepen van de regering, die door de tot voor kort marxistische MPLA wordt beheerst, grote successen. Het leger slaagde erin de manschappen van UNITA-leider Jonas Savimbi te verdrijven uit talrijke steden. Daarmee herwon de regering terrein dat zij na de verkiezingen van vorig jaar september stukje bij beetje had moeten afstaan aan Savimbi, die weigerde zich neer te leggen bij zijn verkiezingsnederlaag.

Toen UNITA van de eerste schrik was bekomen, ging het half januari in de tegenaanval. Het deed dat niet door grote steden in te nemen. Savimbi realiseerde zich kennelijk dat zijn troepen, die een rijke ervaring hebben in het voeren van een guerrilla-strijd maar niet in een conventionele slag om een stad, hierin niet bedreven zijn.

Daarom richtte hij zich op andere doelen, vooral op economisch interessante punten in het noorden van het land. Niet alleen versterkte hij zijn greep op de diamantrijke provincie Lunda-Norte, ook nam hij de plaats Soyo in, waar een derde deel van Angola's forse olieproduktie vandaan komt. Intussen bedreigen Savimbi's mannen ook de noordelijke enclave Cabinda, waar de rest van de olieproduktie zit.

De strategie van Savimbi kwam voor velen als een verrassing, omdat zijn etnische groep van de Ovimbundo's hier eigenlijk niet talrijk is. De meeste Ovimbundo's leven in en rondom de zuidelijke stad Huambo, waar regering en UNITA nog steeds in een felle strijd met elkaar zijn gewikkeld. De reden dat Savimbi in het noorden zo actief is, zo veronderstelt het doorgaans goed ingelichte weekblad Jeune Afrique, valt te zoeken in de economische voordelen die hij hiervan verwacht. Controle over de diamanten en de olie zou hem immers een uiterst welkome bron van inkomsten verschaffen, die hij na het wegvallen van zijn machtige bondgenoten Zuid-Afrika en de Verenigde Staten bitterhard nodig heeft. Waarnemers vragen zich overigens af of de grote Westerse oliemaatschappijen die in Angola opereren op grond van contracten met de regering, nu plotseling met Savimbi zullen willen samenwerken.

De regering liet deze week weten dat ze bezig is haar troepen te hergroeperen, waarna ze UNITA weer hoopt terug te slaan. Gisteren maakte ze een opstekertje bekend: zes gevangengenomen UNITA-generaals zijn overgelopen naar de zijde van de regering, naar verluidt omdat ze het oneens zijn met de manier waarop Savimbi na zijn nederlaag bij de verkiezingen de oorlog hervatte.

Wat er verder ook met de olie gebeurt, vaststaat dat UNITA met de verstoring van de uitvoer de regering een zware klap heeft toegebracht. Die was immers voor het overgrote deel van haar buitenlandse deviezen afhankelijk van de olie en de diamanten. De hoofdstad Luanda ondervindt al de kwalijke gevolgen van dit gemis. Zondag maakte de centrale bank bekend dat ze tien miljoen dollar van haar deviezen moest verkopen, een transactie die de koers van de Angolese munt, de kwanza, onmiddellijk deed kelderen. De stap leidde bovendien meteen tot forse prijsstijgingen van veel produkten.

Intussen moet de regering zich bekommeren om ruim 90.000 soldaten, die krachtens het vredesakkoord van mei 1991, dat Angola op weg naar verkiezingen en stabiliteit moest helpen, werden gedemobiliseerd. De regering zegde destijds toe dat ze goed voor de voormalige militairen zou zorgen maar is niet in staat gebleken zich aan deze belofte te houden. Een paar weken geleden hielden de gewezen soldaten, die nog altijd niets van de regering hadden gekregen, een boze optocht door de straten van Luanda. Hun humeur zal er door de hogere prijzen niet op vooruit zijn gegaan.

Ook anderszins wordt de toestand in de hoofdstad penibeler. Savimbi's mannen hebben de belangrijkste watertoevoer voor Luanda ontwricht, waardoor 80 procent van de normale watervoorziening van de twee miljoen inwoners voor zeker een maand buiten werking is gesteld. Westerse hulpverleners hebben met het oog hierop al gewaarschuwd voor het uitbreken van cholera. De druk op de beperkte middelen van de hoofdstad wordt nog vergroot door een vloed van tienduizenden vluchtelingen, die in de relatief veilige hoofdstad een goed heenkomen zoeken.

Mag de toestand in Luanda niet rooskleurig zijn, elders in het land is het veelal nog erger. Het Wereldvoedselprogramma (WFP) heeft gewaarschuwd dat een miljoen Angolezen die dringend behoefte hebben aan voedselhulp deze door de opgelaaide oorlog niet meer kunnen krijgen. Ze worden hierdoor acuut met ondervoeding en hongersnood bedreigd. Het zuidwesten in het bijzonder is kwetsbaar.

Hoewel Angola oneindig veel begroeider is dan Somalië leidt de toenemende schaarste van het voedsel er evenals in de Hoorn van Afrika toe dat er steeds vaker wordt gevochten om eten. Een VN-waarnemer die onlangs in de oostelijke stad Luena was stelde na zijn bezoek somber vast: “Ze vermoorden elkaar voor voedsel. Iedereen heeft er wapens”. Zoals verscheidene andere Afrikaanse landen lijkt ook Angola, na een hoopvol intermezzo van anderhalf jaar, voorlopig weer gevangen in een spiraal van steeds meer geweld en anarchie.