Soedan blijft kala azar epidemie ontkennen

NAIROBI, 4 FEBR. Soedanese functionarissen hebben deze week tegenover buitenlandse hulpverleners in Khartoum opnieuw het bestaan ontkend van een grootschalige epidemie in de regio Upper Nile van het door oorlog geplaagde zuiden van het land. De Verenigde Naties daarentegen melden dat een epidemie van de ziekte kala azar in de afgelopen jaren naar schatting 60.000 levens heeft geëist.

Onveiligheid en politieke onwil van de Soedanese autoriteiten maken een effectieve bestrijding van de epidemie al jaren onmogelijk. De regering geeft ieder jaar slechts voor een beperkte periode toestemming aan hulpverleners het zuiden binnen te vliegen. Vervoer over de weg - er zijn nauwelijks wegen in Zuid-Soedan - is eveneens onmogelijk. Een Nederlandse hulporganisatie bestrijdt sinds 1988 in slechts één district van Upper Nile de ziekte. Ze doet dit zonder toestemming van de Soedanese regering maar met medewerking van de rebellen van het Soedanese Volksbevrijdingsleger (SPLA).

Door de oorlog kan deze organisatie haar activiteit niet uitbreiden naar andere districten. Uit de wijde omtrek begaven daarom de slachtoffers zich naar de twee door de organisatie opgezette klinieken. Sinds de splitsing in twee facties in augustus 1991 van het SPLA en de daarop volgende gevechten tussen de opstandelingen kunnen de patiënten deze hulpposten niet meer bereiken. Mede daardoor is het aantal slachtoffers de laatste twee jaar dramatisch toegenomen.

Bij uitzondering gaf de Soedanese regering vorige maand toestemming aan medewerkers van UNICEF om naar het district Parayang in Upper Nile te vliegen. Het gebied bleek goeddeels ontvolkt. Dorpelingen vertelden dat alleen al in het afgelopen jaar van iedere familie van tien leden er vier waren overleden aan kala azar. In 1983 telde het district 85.000 inwoners, nu leven er nog slechts 20.000, zo meldden leden van de UNICEF-missie.

Parayang wordt bewoond door mensen van het Dinka-volk. De twee klinieken voor kala azar bevinden zich echter in het aangrenzende gebied van de Nuer. Grote delen van Upper Nile vallen onder controle van de twee rivaliserende SPLA-facties. De splitsing in de verzetsbeweging verdeelde de Dinka en Nuer in verschillende kampen. Sindsdien wordt het de Dinka's veelal onmogelijk gemaakt om voor behandeling naar de hulpposten in Nuergebied te trekken.

De hulpverleners kunnen zich op hun beurt niet naar het Dinka-gebied begeven door de grote onveiligheid. Naast de twee SPLA-facties en het regeringsleger opereren er door de regering gesteunde Arabische milities uit Noord-Soedan. Zonder onderscheid roven deze milities onder de zwarte volkeren van het zuiden, ze branden dorpen plat en voeren vrouwen als slaven naar het noorden af, zo vertellen ooggetuigen uit het gebied.

Medewerkers van de Verenigde Naties zijn al jaren op de hoogte van de voortwoekerende epidemie. In tegenstelling tot de Nederlandse hulporganisatie weigeren zij echter zonder toestemming van Khartoum in het zuiden te werken. Een verzoek in 1991 van de Nederlandse organisatie aan de Wereldgezondheidsorganisatie van de VN (WHO) om assistentie bij de bestrijding van de epidemie werd om die reden afgewezen.