Senaat als actiecomité

HET WAS CDA-fractievoorzitter Brinkman die vorige week aan het einde van het zo turbulent verlopen WAO-debat in de Tweede Kamer het kabinet niet zonder enig sarcasme in zijn stem veel succes wenste bij de verdediging van de voorstellen in de Eerste Kamer. Bijna zou het de standaardafsluiting van elk Kamerdebat kunnen zijn. De AAW, het huurwaardeforfait, de nabestaandenwet, het plan-Simons, de basisvorming in het onderwijs; de Eerste Kamer heeft in deze kabinetsperiode al een indrukwekkende lijst met confrontaties weten op te bouwen.

Wie Eerste Kamer zegt, zegt al gauw Kaland, de fractievoorzitter van het CDA in de Senaat. Zeker heeft Kaland door zijn manier van optreden in belangrijke mate bijgedragen aan de profilering van de Eerste Kamer. Terughoudendheid is een woord dat in zijn vocabulaire niet voorkomt. Al bij het aantreden van het kabinet-Lubbers/Kok heeft hij geen misverstand laten bestaan over de positie van zijn fractie. Deze had een zekere binding met het kabinet, maar geen “absolute”. De CDA-fractie in de Eerste Kamer zou het kabinet dan ook “functioneel kritisch” tegemoet treden. Wat daaronder moest worden verstaan, is sindsdien gebleken. Zie de bovenvermelde schadelijst. Maar om dit allemaal toe te schrijven aan het "eigenzinnige' karakter van Kaland - in dergelijk getoonzette analyses ontbreekt meestal niet dat de "koppige' senator uit Zeeland komt - is al te simplistisch. Dat het wel voorbij zal gaan als Kaland dit najaar uit de Eerste Kamer vertrekt, is dan ook onwaarschijnlijk. De toon wordt wellicht anders, maar de kritiek zal blijven. Daar zorgen de overige CDA-senatoren wel voor.

DE KLASSIEKE taak van de Eerste Kamer is wetten toetsen op rechtmatigheid, doelmatigheid en uitvoerbaarheid. Ofwel, het gaat om de Kamer van revisie die "als schild tegen de waan van de dag' zaken nog eens op hun merites kan bekijken. Waar de maakbare samenleving steeds meer uit het zicht verdwijnt komt er juist meer aandacht voor die drie elementen. Niet voor niets wordt tegenwoordig bij elk substantieel wetsvoorstel direct al de vraag gesteld wat de Eerste Kamer ervan zal vinden.

Maar ook in de Senaat is de uiteindelijke afweging een politieke. Dat is de afgelopen jaren eveneens gebleken. Zoals het een cliché is dat de Eerste Kamer dwars ligt, is het eveneens een cliché dat de Eerste Kamer morrend akkoord is gegaan. Is eenmaal de vraag aan de orde of de geuite kritiek de senatoren een kabinetscrisis waard is, dan is de keuze snel gemaakt. Voordat de niet rechtstreeks gekozen leden van de Eerste Kamer een kabinet naar huis sturen moet er heel veel gebeuren. Juist dit gegeven zou de Eerste Kamer, in dit geval de CDA-fractie in de Senaat, tot een zekere terughoudendheid moeten manen. Het politieke "spel' dient in de Tweede Kamer te worden gevoerd en zo min mogelijk in de "Chambre de reflexion'.

IN DIE ZIN doet het jongste incident in de Eerste Kamer tussen CDA-fractie en kabinet dan ook vreemd aan. De senatoren die in 1991 onder druk van het machtswoord van premier Lubbers akkoord gingen met de politieke koppeling tussen een stijging van de huren en van het huurwaardeforfait, sturen aan op een botsing over hetzelfde onderwerp. Tijdens de behandeling van de begroting van Financiën deze week dienden zij een motie in waarin wordt gevraagd de voor dit jaar voorziene stijging van het forfait achterwege te laten omdat de huren vorig jaar minder zijn gestegen dan aanvankelijk werd aangenomen. Mocht het kabinet de motie naast zich neerleggen dan zal een deel van de Eerste-Kamerfractie van het CDA tegen de begroting van Financiën stemmen. Een deel, want de CDA-senatoren zouden het niet op hun geweten willen hebben dat de begroting echt wordt verworpen. Het moet, zoals fractievoorzitter Kaland het uitdrukte, vooral worden gezien als een "proteststem'.

Hier nu dreigt de Senaat een politieke speeltuin te worden. De houding van de CDA-fractie lijkt meer ingegeven door traumaverwerking dan door serieus handelen. Men is voor of tegen en dient vervolgens de politieke consequenties te trekken: inbinden of de zaak opspelen. Maar met een berekend deel het zware middel hanteren van tegen een begroting stemmen kan niet. De Eerste Kamer, toch al een discutabel instituut, is er niet om te getuigen.