"Onderscheid tussen echt en vals antiek leer je door voelen'

DEN HAAG, 4 FEBR. “U ziet hier een zeventiende-eeuwse roemer met doorlopend vat en een afgewikkelde draad als voet. De ribbels van de draad moeten aan de binnenkant voelbaar zijn, anders heeft u een vervalsing in handen.” Met dia's van fraai bewerkt Venetiaans en Nederduits glaswerk illustreert F. Lameris, gastdocent van de Europese School voor Antiquairs, zijn betoog. Zijn publiek, een gezelschap van dertig dames en een enkele heer die zich zo te zien volkomen op hun gemak voelen in het voorname Hotel des Indes, luistert aandachtig. “Dit was fantastisch,” verzucht een van hen na afloop van de les.

Het is al weer het derde college van de in januari geopende school, die voorlopig op de locatie van het hotel, zijn wekelijkse bijeenkomsten houdt. Op diverse advertenties van de school hebben zich, zoals was te verwachten, antiekhandelaren gemeld, maar het merendeel van de cursisten blijkt toch uit hobbyisten, verzamelaars en kunstliefhebbers te bestaan.

“De school vormt de ontbrekende schakel tussen het publiek en de antiekmarkt,” zegt Jean Pierre Moerman, directeur van het instituut. “Wij leiden eigenlijk geen antiekhandelaren op, maar semi-professionele verzamelaars.” Moerman staat aan het hoofd van de Belgische Moerman-Deneve groep, waarin ook talenscholen, een hostessen-opleiding en een vertaalbureau opgenomen zijn. Zes jaar geleden richtte hij in Brussel de "Ecole Européene des Antiquaires op. Hij ging een samenwerkingsverband aan met vergelijkbare opleidingen in Zwitserland en Frankrijk, en opende in Antwerpen een Nederlandstalige school voor antiquairs. Jongste loot aan de Moerman-Deneve Groep is nu de opleiding in Den Haag. In september volgt de opening van een antiquairs-opleiding in Dusseldorf.

Den Haag als vestiging was eerder aan de beurt. Moerman wilde niet tot oktober, het officiële begin van het cursusjaar, wachten in verband met het opengaan van de grenzen. “De grensoverschrijdende handel neemt meteen al een grote vlucht. En vooral in Oost-Europa wemelt het van de kopieën en vervalsingen.” Dat laatste is ook meteen de doelstelling van deze cursus; men leert er “rijp en groen van elkaar te onderscheiden.”

Specialisten - bij herhaling wijst Moerman op het lijstje gastdocenten: F. Lameris, "nestor van de antiquairs', J.D. van Dam, conservator van het Rijksmuseum, en Th. Laurentius, Rembrandt-kenner - zullen aan de hand van originelen en vervalsingen de toehoorders leren hoe ze dat cruciale onderscheid moeten maken. “Dat betekent aanraken, betasten, voelen”. De cursisten wordt bijgebracht hoe ze restauraties aan meubels en schilderijen kunnen herkennen, en hoe ze aan de hand van materiaalanalyse de leeftijd van een stuk kunnen dateren. Aanschouwelijk onderwijs is het devies. De docenten nemen voorwerpen - echt en onecht - mee naar de school, en verschillende keren krijgt het gezelschap les op locatie. In een museum, bij een verzamelaar thuis, of in een restauratiewerkplaats. “In het derde jaar moet een student in vijf minuten de houtsoort, de authenticiteit, de datum en de stijl van een niet eerder gezien meubelstuk kunnen afleiden”, aldus Moerman.

In België zijn er inmiddels tussen de vier- en de vijfhonderd cursisten. Het voorlopige maximum van dertig deelnemers in Nederland is al overschreden. Voor het nieuwe cursusjaar 1993/'94 hebben zich twintig belangstellendeningeschreven. Bijna 3.700 gulden is veel geld voor 33 cursusmiddagen geeft een van hen grif toe. Maar wie ooit vijfduizend gulden betaalde voor een lithografie die minder dan een tiende waard bleek te zijn, ziet het jaarlijkse inschrijfgeld voor de opleiding als een zichzelf terugbetalende investering. “Hier leer ik in korte tijd, wat ik anders in tien jaar verzamelen door schade en schande wijzer wordt,” is het commentaar.

Dat er in de antiekbranche zo veel vals voor echt wordt verkocht, wijt Moerman onder meer aan het feit dat het beroep van antiquair niet beschermd is. Een erkende titel streeft de directeur echter niet na met zijn school. Wie de driejarige cursus afrondt met een goedgekeurde scriptie heeft een "Diploma van Bekwaamheid'.

Antiekhandelaren zijn in het algemeen geen voorstander van een beschermde beroepsgroep van antiquairs. Volgens A. Aardewerk, lid van de Kamer van Antiquairs en tevens gastdocent van de opleiding, kent het vak van antiquair te veel individuele specialisaties om het in algemene regelgeving onder te brengen. Er zou een orgaan van toezicht nodig zijn met deskundigen, antiquairs dus, en daardoor zou weer onvermijdelijk belangenverstrengeling optreden. Bescherming acht Aardewerk overigens niet noodzakelijk. “Het vak selecteert zichzelf. De klant krijgt de antiquair die hij verdient, de antiquair krijgt de klant die hij verdient.” Maar de oprichting van de school juicht hij toe: “Antiekliefhebbers moeten zich wapenen tegen kwade trouw.”

Moerman mikt met zijn opleiding op een zeer select gezelschap. Alleen een goedgevulde portemonnee (gewapend met de extra kennis wil een cursist toch ook authentieke, dus prijzige aankopen kunnen doen) is niet voldoende. Wat betekent het bijvoorbeeld dat “de school zich het recht voorbehoudt voor om - zonder rechtvaardiging - kandidaten te weigeren die niet beantwoorden aan haar deontologische principes”? Een speciale vooropleiding is niet vereist, maar de deelnemers moeten beschikken over een zekere culturele bagage, verklaart de directeur. “Ik wil niet iemand in de klas die vraagt wie Napoleon was,” zegt hij. “Al betaalt die persoon het volledige cursusgeld in één keer cash.”