Museumrijp design

Studio Waterstad, Schiedamsedijk 130 Rotterdam. Kijkdagen 6 en 7 febr, 11-17u, en 8 t/m 10 febr, 12-19u. Veiling: 13 febr van 10-19u. Inl 073-131886.

Valt een beenspalk nog onder de noemer "design', zelfs al is het een schepping van de beroemde Amerikaanse meubelontwerper Charles Eames? Dit was een van de vragen die de organisatoren van de Rotterdamse Mode- en Designveiling parten speelden toen ze de afgelopen weken de 550 "kavels' verzamelden die op zaterdag 13 februari onder de hamer komen van veilingmeester Harry Korst. De veiling in "Studio Waterstad' in Rotterdam is een onderdeel van de manifestatie Rotterdam Mode- en Designstad, waar ook de tentoonstelling Designprijs deel van uitmaakt.

Hoewel de uitnodiging voor de veiling rept van "klassiek' design, is het volgens ontwerper Dirk de Wit, die de interieurstukken beoordeelde, onmogelijk om daarvoor sluitende criteria aan te wijzen. De beenspalk kreeg het voordeel van de twijfel omdat “het ding tenslotte voorkomt in alle officiële catalogi.” Een paar Thonet-achtige stoelen van onduidelijke herkomst moesten het echter ontgelden. “Als je uitsluitend naar functionaliteit kijkt, zou Rietvelds "Zigzag' stoel niet aan bod komen. Dat is geen goed meubel, daar is iedereen het over eens. Maar wij veilen een vrij zeldzaam origineel uit de werkplaats van Rietveld.”

Eveneens worden een "Lounge Chair' van Charles Eames uit 1946 en draadstoelen van de Amerikaan Bertoia geveild, die in geen enkel standaardwerk over design ontbreken, maar waarvan grote aantallen vervaardigd zijn. De verschillen in oplage komen tot uitdrukking in de prijs. De Rietveld moet minstens vierduizend gulden opbrengen, terwijl de lounge chair, te koop in interieurwinkels voor enkele duizenden guldens, wordt ingezet op vijfhonderd gulden. Een van de topstukken in Rotterdam is een stoel met een frame van metalen buizen uit 1926 - de eerste in zijn soort - van de Nederlandse architect Mart Stam. De stoel, gemaakt bij de firma Thonet, werd aanvankelijk toegeschreven aan Marcel Breuer.

De vazen van Jan van der Vaart kon het veilinghuis vrijwel ongezien aannemen, omdat ze al jaren in musea worden tentoongesteld en dus "museumfähig' zijn. Meubels van gerenommeerde Nederlandse merken als Artifort en Gispen waren eveneens boven elke twijfel verheven, omdat ze zeer gewild zijn. Zelfs een catalogus met lampen van Gispen moet al vierhonderd gulden opbrengen. Van de industriële ontwerpen valt het klassieke gehalte moeilijker te bepalen. Voor de zes Olivetti rekenmachines zijn misschien wel kopers te vinden, maar wat te denken van een tweekoppig Philips scheerapparaat, dat veel Nederlanders nog niet zo lang geleden in de vuilnisbak hebben gegooid?

Omdat het aanbod in de categorie mode aanvankelijk wat mager was, bracht men een bezoek aan de Parijse modehuizen. De oogst: twaalf stuks haute couture van Worth, Lanvin en Givenchy, die beslist rijp zijn voor het museum. De prijzen zijn nog redelijk: tussen de duizend en tweeduizend gulden. De vele Nederlandse experimentele modeontwerpen, vaak afkomstig uit eindexamencollecties, vallen daarmee vergeleken duur uit. Wie meer dan vierhonderd gulden op zak heeft kan bijvoorbeeld bieden op een van de theatrale jasjes met apemouwen waarmee Dori Skerka in 1991 afstudeerde aan de Rietveld Academie. Volgens Karin van Paassen, die dit gedeelte van de veiling verzorgde, viel de bereidheid van bekende Nederlandse couturiers om stukken in te brengen tegen. “Terwijl die toch kelders vol onverkochte spullen moeten hebben. Ik denk dat ze niet durven. Ze vinden het waarschijnlijk een afgang als het niet verkocht wordt.”