Jonge werknemers keren zich af van de vergrijzende vakbeweging; FNV trekt de middelbare scholen in, CNV speurt liever op house party's

AMSTERDAM, 4 FEBR. Jongeren keren de vakbeweging massaal de rug toe. Ze geven liever de voorkeur aan organisaties als Amnesty International of Greenpeace; ieder kwartaal vul je braaf de toegestuurde girokaart in en klaar is kees. Met speciaal lesmateriaal wil de FNV nu de klassen maatschappijleer in om de vakbeweging onder de aandacht van jongeren te brengen. De jongerenorganisatie van het christelijke CNV ziet meer in house party's.

Uit recent onderzoek van de Vrije Universiteit en de Universiteit van Amsterdam is gebleken dat de vakbeweging nauwelijks mensen onder de 25 jaar trekt. Slechts tien procent van deze groep is aangesloten bij een vakbond, terwijl jongeren volgens de cijfers van het Centraal Planbureau (CPB) ruim 20 procent van de beroepsbevolking uitmaken. In vergelijking met de jaren zeventig is het aantal jongeren dat zich heeft aangesloten bij een vakbond, drastisch gedaald.

De oorzaken van de tanende belangstelling meent de vakbeweging inmiddels te hebben gevonden. Te weinig voorlichting op de middelbare scholen, te weinig jonge kaderleden die het goede voorbeeld geven, flexibele arbeid en lange studies waardoor de jonge werknemer op latere leeftijd aan het werk gaat. Maar hoe die problemen nu op te lossen?

“Meer voorlichting op scholen” zegt jongerensecretaris J. Schouten van de vakcentrale FNV. Sinds oktober vorig jaar is ze aangetrokken om het FNV-beleid op het gebied van jongeren in de gaten te houden. “Jongeren weten niet meer wat de vakbeweging voor hen kan betekenen. Ze zijn niet opgevoed in een vakbondstraditie en vinden die in de zogenaamde witte-boorden-banen ook niet. Daarnaast moeten we minder vergaderen, want daar houden jongeren niet van. Ze voelen veel meer voor workshops, voor dingen dòen.”

Maar socioloog en onderzoeker J. Visser van de Universiteit van Amsterdam ziet het "verkopen' van de vakbeweging in de lessen maatschappijleer niet zitten. “Mijn studenten willen niet over de vakbeweging praten. Dat zegt iets over wat jonge mensen belangrijk vinden; arbeid is niet meer dè centrale waarde. Je ziet een duidelijke verschuiving naar post-materële zaken. Amnesty International is daar een goed voorbeeld van. De organisatie brengt de problemen héél dicht bij huis, zonder te moraliseren of je een schuldgevoel aan te praten.”

Ook het imago van de vakbeweging staat een toename van het aantal jonge leden in de weg, meent Visser. “Altijd die neergaande lijn, nooit vrolijke acties. Voor jongeren staat de vakbeweging gelijk aan een club grijze oude mannen die veel vergaderen op de stoffige millimeter.”

De oorzaken zouden vooral liggen in het ontbreken van een jongerenbeweging, de voortschrijdende individualisering en de weinig op maat gesneden dienstverlening van de vakbonden. Visser verwijst naar Ikea. Deze meubelgigant - met een relatief jong personeelsbestand - wil al enige tijd een ondernemings-CAO met de eigen werknemersvereniging afsluiten, zonder tussenkomst van de vakbonden.

“In zo'n bedrijf met veel jonge mensen is de Vut bijvoorbeeld niet interessant. De Vut-premie die ze nu betalen is een solidariteitsbijdrage, zelf zullen ze waarschijnlijk nooit van de regeling gebruik maken. En voor grootschalige solidariteit is de huidige jeugd niet te vinden. Dus zegt Ikea: "We geven jullie nu wat meer loon in plaats van een Vut'. Wie denkt er nu op zijn 25ste aan vervroegd uittreden?”

Onder de vakorganisaties zijn twee uitschieters die het wèl goed onder jongeren doen; de kappersbond en de horecabond. In beide gevallen gaat het om "jonge' bonden (eind jaren zeventig bestond er nog geen kappersbond) en sectoren waarin relatief veel jonge mensen werken. Ook zijn deze vakbonden duidelijk aanwezig op de beroepsopleidingen, zodat leerlingen al in een vroeg stadium kennis maken met de vakbeweging.

FNV-bonden die hun jeugdig ledenaantal flink zagen teruglopen zijn de industriebond, de dienstenbond en de ambtenarenbond AbvaKabo. Voor de eerste twee gevallen geldt dat ze de klap van de jaren tachtig op de arbeidsmarkt niet helemaal te boven zijn gekomen. Een crisis die met name jonge mannen en 55 plussers trof, aldus Visser. Een uitzondering vormt de stijging van het aantal jonge vrouwen in de industriebond, maar deze wordt vooral veroorzaakt door een toename van deze groep op de gehele arbeidsmarkt.

Voor de AbvaKabo liggen de zaken anders. Het personeel in deze sector, dat uit (semi-) ambtenaren bestaat, volgt steeds vaker een universitaire of hbo-opleiding en treden vaak na hun 25ste in dienst. De Bouw- en Houtbond is de enige bond waarbij veranderingen nog nauwelijks zijn doorgedrongen, meent Visser. Hier is het aantal georganiseerde jongeren bijna constant gebleven.

De vakbonden krabben zich inmiddels achter het oor. Jongerenbonden en jongerensecretarissen moeten uitvinden wat de jeugd van tegenwoordig ècht leuk vindt. Meer popconcerten? “Nee”, zegt Schouten van de FNV bewust. “Je moet niet ten koste van alles je imago opvijzelen.” De kersverse voorzitter van de CNV Jongerenorganisatie ziet dat anders. In een recent interview voor het huisorgaan zegt ze: “We moeten jongeren iets bieden dat hen aanspreekt. Waarom houden we dan geen house party's? Als jongeren daardoor betrokken raken bij het vakbondswerk, is dat toch prima?”