Helder

Die ochtend was alles helder. We volgden de loop van de Durdent, een prachtige vallei met weiland op de oevers, bossen op de hellingen.

In een bocht zagen we het weg- en weer opduiken van een sterk verkleinde fuut, een dodaars. Ik had in zeker een jaar geen dodaars gezien. Wat me deed denken aan een man die ik weleens zag fietsen op de Hollandse Kade. Soms zag ik hem een tijdlang niet en als ik hem dan toch weer tegenkwam, schoot het door me heen: hij had dood kunnen zijn zonder dat het je was opgevallen.

Volgens de kalender zaten we middenin de winter. De natuur was al een stap verder. Er zat lente in de geur van de aarde, de knoppen aan de struiken, het geluid van winterkoninkje en heggemus.

Het was braaf, dat lopen van ons. Zonder avontuur of risico. Maar konden wij het helpen? Was het onze schuld dat het zo'n suffe winter was? Hoogstens was het onze schuld dat we het desondanks naar ons zin hadden.

In de laatste heuvelrij was een opening uitgeslepen in de vorm van een badkuip. Daar mondde het riviertje uit. Van ver zag je al het blinken van de zee.

Tussen de stenen op het strand stond een zeekoet. Vuil op zijn buik. Hij deed precies wat hem geleerd was dan te doen. Hij poetste zich. Hij bracht de olie van zijn veren over naar zijn maag.