Gezag van VN op dieptepunt

Het deelnemen aan VN- of andere vredesoperaties lijkt de hoofdtaak van de Nederlandse krijgsmacht te worden. De voornemens van de Nederlandse regering daartoe zijn neergelegd in de Prioriteitennota van 12 januari jongstleden. De motieven daarvoor blijven beperkt tot algemeenheden. Meer in het bijzonder ontbreekt de beredeneerde relatie met de grondwettelijke taak van de krijgsmacht.

De grondwet (art. 98) zegt: “ter bescherming van de belangen van de staat is er een krijgsmacht, bestaande uit vrijwillig dienenden en dienstplichtigen”. Zolang de taak van de krijgsmacht bestaat uit het handhaven van de integriteit van het Nederlandse grondgebied, al of niet in bondgenootschappelijk verband, is de relatie met de grondwet duidelijk. Als de regering verdere taken aan de krijgsmacht wil toewijzen moet dit goed worden gemotiveerd. Niet alleen uit staatsrechtelijk oogpunt is dit noodzakelijk, ook degenen die zich onvoorwaardelijk tot dienen in de krijgsmacht verbinden moeten van te voren zekerheid hebben dat hun leven niet voor onduidelijke politieke doeleinden in gevaar wordt gebracht. Nog sterker zal deze eis tot duidelijkheid gelden indien overwogen zou worden dienstplichtigen uit te zenden voor taken die geen directe relatie met de landsverdediging hebben.

In de Prioriteitennota wordt de relatie met de grondwet dus niet gelegd, erger, er worden ook geen criteria gegeven aan de hand waarvan over het deelnemen aan bedoelde operaties zal worden beslist.

De nota zegt dat het onjuist is bepaalde taken reeds op voorhand uit te sluiten. Het beleid komt dus neer op: “we zien wel”. Nadat de regering in 1963 voor het eerst een aanbod tot het gereedhouden van militaire eenheden voor VN-taken had gedaan, ging zij in de Defensienota-Den Toom/Luns (1968) uitgebreid hierop in. “Elke tussenkomst” - zo leest men daar onder meer - “in een conflict kan prikkelend werken op de partij die uit het conflict voordelen heeft denken te putten.”

“Worden aan de vredesmacht belemmeringen in de weg gelegd die haar de vervulling van de haar gegeven opdracht onmogelijk maken, dan kan zij zich gedwongen zien desnoods met geweld die belemmeringen op te ruimen. Afhankelijk van de kracht en de hardnekkigheid daarvan, zullen dan in kleiner of groter verband militaire gevechtsoperaties moeten worden gevoerd.”

“Het is een voorwaarde dat van de interveniënt kracht en gezag gepaard aan zelfbeheersing uitgaat, duidelijk superieur aan de kracht die moet worden bedwongen. Elke onzekerheid in optreden, elke zichtbare zwakheid kan de tussenkomst niet alleen doen mislukken, maar ook de situatie nog verergeren . . .”

“Hoe meer VN-troepen bekend zullen zijn vanwege haar superieure gehardheid, geoefendheid en discipline, hoe groter hun politieke en militaire effectiviteit zal zijn . . .”

Aanwending van geweld en militaire superioriteit waren lange tijd in de politiek taboe. In alle daarop volgende defensienota's wordt daarom òf niets gezegd over de aard van het VN-optreden òf wordt dit afgeschilderd als een soort leger des heils-werk.

Als nu 25 jaar na de geciteerde regeringsuitspraken de balans wordt opgemaakt over het VN-optreden, kan de conclusie niet anders luiden dat dat op een faillissement wordt aangekoerst, tenzij op korte termijn tot een radicale beleidsombuiging, gepaard gaande met een diep ingrijpende sanering van activiteiten, wordt besloten.

Het de afgelopen maanden bij herhaling opgeroepen beeld van de nieuwe wereldorde en de rol van de VN hierin, tegelijk met de (zelfgenoegzame) constatering dat in de afgelopen vijf jaar meer vredesoperaties zijn opgezet dan in de twee en veertig jaar daarvóór, is op zijn minst misleidend en vereist een kritische beschouwing.

Het VN-secretariaat is overbelast en het management laat te wensen over. Een grote operatie als die in Somalië kon het al niet meer aan en die werd overgelaten aan de Verenigde Staten. De secretaris-generaal gaf in juni vorig jaar een toekomstvisie op de vredesoperaties en de taak van het secretariaat hierin, "An Agenda for Peace'. Er is tot nu toe niet meer dan lippendienst aan bewezen en de realiteit lijkt ver weg.

Het aantal grote operaties dat in de afgelopen decennia tot een goed einde is gebracht, is niet indrukwekkend. De huidige operaties stemmen ook niet optimistisch. Sommige hebben een slepend bestaan, hebben nauwelijks bijgedragen aan de oorspronkelijke doelstelling en hebben een geheel ander karakter gekregen, waarbij soms onjuist geachte toestanden door de VN-tolerantie een legaal karakter hebben gekregen.

Hierbij valt te denken aan Cyprus waar volgend jaar het dertigjarig bestaan van de VN-presentie kan worden gevierd, thans zo'n tweeduizend man sterk.

In Libanon is Unifil, met zo'n zesduizend man, reeds 15 jaar aanwezig maar het oorspronkelijk mandaat is niet uitgevoerd. Evenmin is er uitzicht dat dit ooit gebeurt.

De missie die het langst bestaat is UNTSO (UN Truce Supervision Organisation), sinds 1948 in het Midden-Oosten, hoofdkwartier Jeruzalem, om toezicht te houden bij het Israelisch-Arabisch conflict. Vijf grote oorlogen heeft deze missie (circa driehonderd militaire waarnemers) zien passeren. Ook in het Midden-Oosten maar nu op de Golanhoogvlakte is sinds 1974 de UNDOT (UN Disengagement Observer Force) met een sterkte van circa 1.300 man.

Terwijl een missie van 135 man in El Salvador, met de taak toezicht te houden op afspraken die een einde moesten maken aan een burgeroorlog, geslaagd lijkt, dreigt een enigszins vergelijkbare missie in Angola, met een sterkte van 450 man, een jammerlijke mislukking te worden. De oorlog is opnieuw uitgebroken en VN-militairen en agentschappen worden fysiek bedreigd.

In Cambodja zitten sinds vorig jaar ruim 22.000 VN-militairen in een uitzichtloze situatie. In het voormalige Joegoslavië kijken 20.000 VN-militairen toe hoe strijdende etnische bevolkingsgroepen naar eigen goeddunken hier zaken regelen, ondertussen van tijd tot tijd VN-militairen gijzelend of beschietend.

In Somalië tekent zich een nieuw drama af. Naast nog geen 1000 man aan VN-personeel wordt het harde werk gedaan door troepen van de Verenigde Staten. De VN moeten voor de politieke oplossing zorgen en het burgerlijk gezag herstellen. De Verenigde Staten hadden eigenlijk nu al het land uit willen zijn, de VN zien echter nog geen kans een bestuur in te stellen.

Al met al geen opgewekt beeld van de effectiviteit van de lopende operaties die tot nu toe plus minus 400 doden aan VN-zijde hebben gevergd.

Waar moet het westen - want het blijft toch qua initiatief en uitvoering in hoofdzaak een westerse aangelegenheid - zich wel en waar moet het zich niet mee bemoeien? In het handvest van de VN is eigenlijk alleen gedacht aan conflicten tussen staten, terwijl de VN nu steeds meer bij burgeroorlogen betrokken raakt. Het uitzicht op een modern kolonialisme dat evengoed ellende zal achterlaten als het voormalige kolonialisme schrikt zowel westerse landen - met name natuurlijk de Verenigde Staten - als voormalige koloniale landen af.

Het gezag van de VN is daarbij op een dieptepunt beland en dat is een slecht vooruitzicht. Wie zoekt nog hulp bij en vertrouwt op iemand die getoond heeft geen gezag te hebben?