De samenleving gebruikt haar geestelijke capaciteiten verkeerd; Volgens de Arbowet dient de arbeid van werknemers te resulteren in groeiende ervaring, toenemende wijsheid en vermogen tot overzicht

De oplossing voor het grote en groeiende gebruik van de ziekte- en arbeidsongeschiktheidsregelingen wordt vooral gezocht op financieel-economisch en verzekerings-technisch terrein. Er is sprake van "volumebeleid', van vergroting van de financiële betrokkenheid van de werkgevers en van de werknemers. Dit is een materialistische en collectivistische benaderingswijze.

Is een dergelijke benadering geschikt voor een probleem waarin arbeidsverhoudingen zo'n belangrijke rol spelen? Moet die niet worden vervangen door of aangevuld met een "idealistische' en individuele benadering? Want wordt het probleem niet juist in belangrijke mate veroorzaakt door een materialistische en collectivistische benadering van arbeidsverhoudingen? Dergelijke vragen dringen zich op wanneer kijkt naar de participatiegraad van de Nederlandse beroepsbevolking (bijvoorbeeld de nota Economie met open grenzen van de minister van economische zaken van september 1990). Wanneer deze participatiegraad, die een stijgende lijn vertoont tot dertig jaar en een steeds sneller dalende vanaf veertig jaar, grafisch wordt weergegeven, dan zien we dat deze voorstelling de afgelopen jaren steeds meer is gaan lijken op de grafiek die geldt voor de lichamelijke ontwikkelingsgang van de mens (zoals in B. Lievegoed: De levensloop van de mens, uitgeverij Lemniscaat, 1982), namelijk een toename van capaciteiten tot een top op middelbare leeftijd (20-40 jaar) gevolgd door een onontkoombare afname.

Deze gelijkenis tussen arbeidsparticipatie van de Nederlandse beroepsbevolking en de lichamelijke ontwikkelingsgang van de mens is onthutsend. Immers, gezien de verdergaande mechanisering en automatisering in de samenleving en de toeneming van het scholingsniveau van de Nederlandse beroepsbevolking, zou zich een tegengestelde ontwikkeling moeten voordoen, namelijk een afnemend beroep op de lichamelijk en een toenemend beroep op de geestelijke capaciteiten van de beroepsbevolking.

Voor de geestelijke ontwikkeling van mensen zijn diverse opties, die tussen twee uitersten liggen. Een minimale optie is dat de geestelijke ontwikkeling gekoppeld is aan de lichamelijke, bijvoorbeeld door een materialistische opvoeding of leefwijze, en dus eveneens een toenemende aftakeling van (in dit geval geestelijke) capaciteiten vertoont vanaf middelbare leeftijd. Een andere, maximale optie is evenwel: een duidelijke groei van geestelijke capaciteiten vanaf het veertigste levensjaar tot een top op hogere leeftijd (50-70 jaar).

Blijkbaar slaagt de Nederlandse samenleving er steeds minder in om op grote schaal deze laatste optie, namelijk geestelijke topprestaties op hogere leeftijd, te realiseren en te gebruiken. (Op kleine schaal gebeurt dit wel, zoals bijvoorbeeld blijkt uit de samenstelling van raden van commissarissen bij ondernemingen.) Deze negatieve conclusie wordt mede ondersteund door de observatie dat er in belangrijke en toenemende mate om psychische redenen een beroep wordt gedaan op de besproken ziekte- en arbeidsongeschiktheidsregelingen.

Nu bevat de Nederlandse wetgeving wel degelijk een "idealistisch' instrument ter oplossing of voorkoming van deze problematiek, namelijk de Arbeidsomstandighedenwet (Arbowet). Er schort nogal wat aan de effectiviteit van deze wet. Bij de praktische toepassing van de Arbowet blijkt dan ook dat het bedrijfsleven, de overheidsvoorlichting, enzovoorts inderdaad grote moeite hebben de genoemde geestelijke aspecten te bevatten en er passend mee om te gaan. Een voorbeeld hiervan is te vinden in de volgende samenvatting van het cruciale art. 3 van de Arbowet die verspreid is in het sociaal jaarverslag 1990 van mijn bedrijf (waarin onderzoeks- en ontwikkelingserk wordt verricht door vooral hooggekwalificeerde medewerkers): - De arbeidssituatie en -taak moet aan de eigenschappen van de werknemers worden aangepast. - Het werk moet naar eigen inzicht verricht kunnen worden. - Men dient tijdens het werk contact met collega's te kunnen hebben. - Men dient zicht te hebben op eisen, doel en resultaat van het werk. Het eerste aspect heeft te maken met de ergonomie van de werkplek, de overige drie aspecten hebben te maken met de taken en de wijze waarop het werk georganiseerd is.''

Deze samenvatting laat onder punt 1 de persoonlijke eigenschappen onvermeld die door de wet als te respecteren worden genoemd, zoals leeftijd, lichamelijke en geestelijke gesteldheid, ervaring en vakmanschap. Door de bijbehorende toelichting worden de wetseisen op dit punt beperkt gehouden tot de strikt lichamelijke (ergonomische) aanpassing van de arbeid aan de werknemer. Een andere belangrijke eis die de wet stelt, namelijk dat de arbeid ook dient bij te dragen tot vergroting van de vakbekwaamheid van de werknemer, wordt eveneens onvermeld gelaten. Van de Arbowet zijn dus juist die eisen weggelaten die betrekking hebben op de geestelijke gezondheid en de geestelijke, inclusief vaktechnische, ontwikkeling van de werknemers.

Het is dus dringend geboden om bij de voorlichting en berichtgeving over de Arbowet veel meer aandacht te besteden aan de eis dat werknemers zich in hun arbeid in geestelijke zin kunnen ontplooien, meer in concreto dat hun arbeid dient te resulteren in: een goede geestelijke gesteldheid, groeiende ervaring en vakmanschap, toenemende wijsheid en vermogen tot overzicht. Dit dient duidelijk verder en dieper te gaan dan slogans als “we leven in een kennismaatschappij”, die getuige de besproken ontwikkelingen tot dusver hard worden gelogenstraft.

Verbetering van de voorlichting over de Arbowet kan leiden tot een bewustwording bij de werknemers en werkgevers van de rechten en plichten geformuleerd in deze wet. Daarnaast moeten mechanismen ter verzekering van de naleving van de Arbowet in het leven worden geroepen die gemakkelijk toegankelijk zijn voor de individuele werknemers.

In de huidige formulering van de Arbowet is een grote rol ingeruimd voor een aantal instanties uit het maatschappelijke middenveld, namelijk ondernemingsraden, bedrijfsgezondheidsdiensten, arbeidsinspectie en vakbonden. Het zijn echter de individuele gevallen waarin de plannen misgaan die in hun totaliteit leiden tot een groeiend beroep op ziekte- en arbeidsongeschiktheidsregelingen. Op een tijdige en toereikende behartiging van individuele gevallen zijn de genoemde instanties niet ingesteld, ook niet wanneer het gaat om problematiek op geestelijk gebied. De vele, in aantal toenemende, invididuele gevallen waarin het misgaat komen uiteindelijk, gemedicaliseerd in de ziekte- en arbeidsongeschiktheidsregelingen terecht.

Om te beklemtonen dat de eisen die de Arbowet aan de arbeidstaak (art. 3) stelt een individueel werknemers-grondrecht vormen zouden deze buiten de sfeer van de huidige (corporatieve) Arbowet nog eens herhaald kunnen worden in de bepalingen van het burgerlijk wetboek over de arbeidsovereenkomst (bijvoorbeeld door aanpassing van het huidige art. 1638x BW waarin sprake is van respectering van lijf, eerbaarheid en goed van de werknemer). Te vrezen valt echter dat het bijbehorende ondersteuningsmechanisme, namelijk de gang naar de burgerlijke rechter, te laat zal werken. Een individualisering van de Arbowet verdient derhalve de voorkeur, waarbij het werknemers-grondrecht van art. 3 ondersteund wordt door een eenvoudig mechanisme waarmee de werknemer op individuele basis wetsnaleving kan bewerkstelligen bij een onafhankelijke en deskundige instantie: een procedure bij een "Ondernemingskamer' uitgebreid met deskundigheid op de gebieden van personeelsbeleid en psychiatrie. Een tijdige en makkelijke gang naar een dergelijke "Ondernemingskamer' valt verre te prefereren boven de huidige afgang naar Ziektewet en WAO.