De rechten van de verdachte en de plichten van de rechter

De Commissie-Moons, officieel geheten de Commissie Herijking Wetboek van Strafvordering, heeft in haar achtste rapport voorgesteld om bekennende verdachten via een versnelde procedure te berechten. De schuldvraag kan vrijwel zonder verdere adstructie worden beantwoord, waarna de rechter in sneltreinvaart overgaat naar de straftoemeting. In dit blad¹ heeft Corstens, zelf lid van de commissie, betoogd dat deze werkwijze de rechten van de verdachte niet aantast.

Dat laatste is niet waar. Maar erger is het dat ook de plichtsbetrachting van de rechter wordt aangetast; niet per ongeluk, maar met opzet, want de Commissie-Moons is uit op bezuiniging.

De Nederlandse wet stelt met nadruk dat een bekentenis geen volledig bewijs kan vormen. Daar is een goede reden voor: soms bekennen verdachten een misdrijf dat ze niet hebben begaan. Voor de hand liggende redenen zijn een ziekelijke behoefte aan aandacht, de wens om een ander in bescherming te nemen, of druk van de politie. Het aanvullend bewijs moet aannemelijk maken dat geen van deze verklaringen van toepassing is.

Wanneer de Commissie-Moons voorstelt om met een bekentenis genoegen te nemen, miskent ze het bestaan van valse en afgedwongen bekentenissen en de noodzaak om bekentenissen te verifiëren. Wordt daardoor een recht van de verdachte bedreigd? Jazeker: het recht op een zorgvuldig gevoerd proces. Het is niet zorgvuldig om de verklaring van een verdachte, die niet eens onder ede staat, zomaar te geloven. Volgens Corstens bestaat het gevaar voor onzorgvuldigheid niet, aangezien de ten onrechte bekennende verdachte altijd zijn bekentenis weer kan intrekken en altijd in hoger beroep kan gaan. Dat is een drogreden: de genoemde redenen om een valse bekentenis af te leggen zijn evenzeer redenen om de bekentenis niet in te slikken. De verdachte heeft recht op een eerlijk en zorgvuldig gevoerd proces en daarbij hoort ook dat de onschuldige bekennende verdachte tegen zichzelf wordt beschermd.

Politiepraktijken

De verdachte moet ook worden beschermd tegen ongeoorloofde politiepraktijken. In Nederland draagt de politie bij aan het opsporingsonderzoek en aan het gerechtelijk vooronderzoek. Het laatste soort onderzoek doet de politie onder verantwoordelijkheid van de rechter commissaris, dus eigenlijk van de rechter zelf. Dat onderzoek moet eerlijk gebeuren. Zo mag het niet voorkomen dat de politie bij het gerechtelijk vooronderzoek een onschuldige verdachte tot een valse bekentenis dwingt. Maar dat komt wel degelijk voor. De politie kan er juist een belang in zien om verdachten te laten bekennen, bijvoorbeeld omdat een bekentenis door de rechter als doorslaggevend bewijs wordt gezien, zodat na een bekentenis de zaak rond is en het onderzoek kan worden afgesloten. Dat is niet de bedoeling; de Rechercheschool proclameert zelfs: ""Neem geen genoegen met een spontane bekentenis. Het eigenlijke verhoor begint pas bij een bekentenis!''.²

De geschiedenis van gerechtelijke dwalingen is vol met afgedwongen bekentenissen, ook in ons land.³ Wanneer de rechter een groter gewicht aan bekentenissen gaat hechten, wordt het nog aantrekkelijker om bij het verdachtenverhoor wat druk uit te oefenen. Daartegen moet je verdachten en politieambtenaren beschermen; anders komt het recht op een eerlijk proces in het gedrang.

Het is vreemd dat Corstens zich uitsluitend zorgen maakt om de rechten van de verdachte. Alsof de kwaliteit van het proces is gewaarborgd zolang je maar niet aan de rechten van de verdachte komt! Er is een andere, minstens even belangrijke kant aan het probleem: de plichten van de rechter. In het Nederlandse strafrechtsysteem heeft de rechter de leiding van het onderzoek. Anders dan in het Engelse of Amerikaanse strafrecht is de Nederlandse rechter niet een passieve arbiter bij een strijd tussen twee gelijkwaardige partijen. Nee, de rechter is een actieve onderzoeker die bij zijn werk wordt geholpen door aanklager en verdediger; de laatste twee partijen voeren geen strijd in de rechtszaal en zijn ook zeker niet gelijkwaardig.

Rechtbankscènes

In het Angelsaksische systeem wordt erop gespeculeerd dat de waarheid door de botsing van twee partijen aan het licht komt. Vandaar die kleurrijke rechtszaalscènes die het op televisie zo goed doen. In ons land rekenen we erop dat de rechter de waarheid kan vaststellen op grond van zijn eigen, zorgvuldige onderzoek. Rechtbankscènes worden daarbij juist zoveel mogelijk vermeden. Het is niet alleen het recht van rechters om onderzoek te doen, het is ook hun plicht: wanneer zij het niet doen, doet niemand het.

Een eenvoudig voorbeeld van wat er mis kan gaan wanneer rechters hun plicht verzuimen, is het Angelsaksische gebruik van "plea bargaining'. Bij een wedstrijdopvatting van het strafproces zullen verdachten die menen het gevecht te kunnen winnen, het nooit op een akkoordje gooien met de aanklager. Wanneer zij dat wel doen, denken ze kennelijk dat ze in een eerlijke strijd niet kunnen winnen. Er wordt dan een afspraak gemaakt die in feite inhoudt dat de partijen niet zullen vechten. De rechter, als arbiter, kan daar niets aan doen en hoeft daar ook niets aan te doen.

Plea bargaining is niet principieel verwerpelijk, zolang het tot stand komt in een strijd van gelijkwaardige partijen. In Nederland is er tijdens het opsporingsonderzoek en het gerechtelijk vooronderzoek geen sprake van gelijkwaardigheid. Een verdachte heeft gedurende kritische perioden in het proces niet eens recht op bijstand van een advocaat. Dit omdat, in de woorden van ex-minister Korthals Altes, ""de tere verhouding tussen rechercheur en verdachte'' verstoord zou kunnen worden. Wat die tere verhouding precies inhoudt weet ik niet, maar gelijkwaardigheid van verdachte en rechercheur zal toch niet zijn bedoeld! In die ongelijkwaardige positie zou de officier van justitie een opzetje met de verdachte kunnen voorstellen.

De afspraak kan inhouden dat de officier een niet al te hoge straf eist in ruil voor een bekentenis. Door de Moons-procedure wordt dan de rechter buiten spel gezet: de bekentenis voorkomt nauwkeurig onderzoek. Corstens beweert dat een onschuldige verdachte niet zo dom zal zijn, maar die bewering is naëf en ongegrond. Natuurlijk zal een verdachte die vreest onschuldig veroordeeld te worden tot, zeg, twaalf jaar gevangenisstraf, een aanbod van vier jaar in ruil voor een bekentenis ernstig overwegen. Het is niet duidelijk of zulke deals tussen het openbaar ministerie en de verdediging, die de bedoeling hebben de rechter buiten spel te zetten, op enige schaal voorkomen. Wanneer Corstens zegt dat de inmiddels gegroeide praktijk door de Moons-procedure alleen maar gesanctioneerd wordt, doelt hij hopelijk niet op zulke transacties. Toch zegt hij nadrukkelijk: ""Ondoorzichtige deals tussen verdachten en openbaar ministerie... kunnen door een ongebreidelde hantering van de transactie nu al worden gemaakt.''

Een iets andere vorm van onwenselijke benvloeding komt zeker voor: de politie die beloften doet in ruil voor een bekentenis. Dat gaat in de trant van: ""Beken nu maar, dan zullen we een goed woordje voor je doen.'' Of: ""Beken nu maar dan zullen we het over die andere inbraken niet hebben''.4 Of van die toezeggingen iets terecht komt is niet van belang; een onschuldige verdachte kan er een reden aan ontlenen om te bekennen.

Om deze en dergelijke redenen heeft de rechter in een systeem waarin de partijen ongelijkwaardig zijn de plicht om het onderzoek zorgvuldig te doen en ertegen te waken dat hij of zij, om wat voor reden dan ook, buitenspel wordt gezet. Zelfs als de Moons-procedure geen rechten van de verdachte schendt, dan nog vormt hij een aanslag op de plichtsbetrachting van de rechter. Corstens merkt nogal laconiek op dat dit plichtsverzuim al aan de orde van de dag is: de commissie wil alleen de bestaande praktijk legaliseren. Een vreemd streven voor strafrechtjuristen, die zich doorgaans tot taak stellen om normen te handhaven. Bovendien: waar bestaat die bezuiniging dan eigenlijk uit?

Rechtswetenschap is niet bij uitstek empirisch. Maar soms kan het toch geen kwaad om ook eens naar de maatschappelijke werkelijkheid te kijken, en argumenten te ontlenen aan wat het rechtssysteem in de praktijk teweegbrengt. We zien dan een zeker niet perfect systeem dat af en toe op geruchtmakende wijze blundert, en veel vaker in het verborgene. De rechter moet zich niet alleen zorgen maken over rechten van de verdachte en de eigen zorgvuldige taakuitvoering, maar ook over het resultaat van dat alles. Wanneer in de praktijk zou blijken dat bekennende verdachten ook inderdaad altijd schuldig zijn kan daaraan, los van meer principiële overwegingen, een argument worden ontleend om aan bekentenissen een groot gewicht toe te kennen. Het argument is dan dat bekentenissen kennelijk diagnostisch voor schuld zijn, op dezelfde manier als geel-verkleurde ogen diagnostisch zijn voor geelzucht. Helaas zijn er geen gegevens over de relatie tussen bekentenis en schuld beschikbaar. We weten alleen dat, als je uitsluitend op bekentenissen af wil gaan, deze relatie wel ijzersterk moet zijn. De literatuur laat zien dat ongeveeer 1 op 200 vonnissen een gerechtelijke dwaling is.5 Je hebt niet zo heel veel valse bekentenissen nodig om dat aantal te verdubbelen.

Uit het voorstel van de Commissie-Moons zou men wellicht kunnen afleiden dat bekentenissen, los van hun absolute diagnostische waarde, tenminste diagnostischer zijn gebleken dan andere soorten bewijs. Op grond daarvan zou je dan kunnen besluiten om bekennende verdachten versneld te veroordelen, terwijl je dat, bijvoorbeeld, niet doet met verdachten die op heterdaad zijn betrapt. Maar alweer, er is geen enkel empirisch gegeven dat dit primaat van de bekentenis aantoont. Het staat helemaal niet vast dat een bekentenis diagnostischer is dan een op-heterdaad-betrapping, een herkenning door ooggetuigen, een vingerafdruk, een DNA-test.

Wanneer ik zelf iets zou mogen voorstellen ten aanzien van bekentenissen, zou ik juist de andere kant opgaan: schaf bekentenissen als bewijsmiddel af. Een bekentenis zonder ander bewijs is verdacht; een bekentenis ondersteund door voldoende ander bewijs is overbodig. In mijn visie is een bekentenis niet meer dan een opsporingsmiddel; een hulp bij het vinden van werkelijk betrouwbare bewijzen. Het gebruik van bekentenissen als bewijsmiddel leidt vaak tot ingewikkelde juridische complicaties, bijv. wanneer de verdachte beroep doet op een psychische aandoening tijdens het verhoor, of de politie beschuldigt van ongeoorloofde methoden. Die verwikkelingen maken een proces langdurig en kostbaar. Als de Commissie-Moons per se wil bezuinigen, kan ze dat beter doen door bekentenissen niet meer als bewijsmiddel toe te laten.

Corstens biedt ons een merkwaardige kijk op zijn rechtsopvattingen. Hij zegt: ""De huidige regeling in het wetboek scheert alle gevallen over één kam. Zij dwingt tot een kunstmatig modelleren van alle gevallen in termen van procesregels die zijn toegespitst op ontkennende verdachten...'' Dat wil Corstens dus niet. Voor hem zijn niet alle verdachten gelijk, niet alle verdachten onschuldig totdat het tegendeel is bewezen. Die regel geldt kennelijk alleen voor ontkennende verdachten. Bekennende verdachten zijn anders, want hun schuld staat al vast: ""Het debat ter zitting kan dan worden toegespitst op sanctionering.'' Maar die conclusie kan niet bij voorbaat uit een bekentenis worden getrokken. Er is geen enkele reden om een bekennende verdachte anders te behandelen (ik zeg niet eens: minder zorgvuldig; anders is al erg genoeg). En het is heel verstandig om alle gevallen over één kam te scheren: voor de wet zijn wij allemaal gelijk.

Het is pijnlijk om te lezen dat vooraanstaande strafrechtgeleerden dit fundamentele uitgangspunt even uit het oog verliezen terwille van de bezuiniging. Zodra de rechterlijke macht haar principes overboord gooit, is de stap naar andere bezuinigingsmaatregelen heel klein. Je kan ook aanzienlijk bezuinigen door een verkorte procedure toe te passen op buitenlanders. Het gegeven dat een verdachte geen Nederlands paspoort heeft is, voor zover wij weten, even diagnostisch als een bekentenis. Nog gekker, het blote gegeven dat iemand verdachte is, vormt ongeveer de meest diagnostische aanwijzing die er bestaat. De vervolging zelf zou voor de Commissie-Moons ongeveer het beste argument zijn om maar direct tot straftoemeting over te gaan. Overdreven natuurlijk, dit voorbeeld, en de domino-redenering is meestal ongeldig; maar waar ligt dan de principiële grens? Volgens mij een stap terug: de rechter moet geen principes inleveren terwille van bezuiniging. Corstens' argument: "Justice delayed is justice denied' leidt niet tot het verlaten van principes, maar tot een eenvoudige vraag om meer middelen. Bijna nergens in Europa doen we het strafrecht zo goedkoop als in Nederland. Als Corstens en de Commissie-Moons zich zoveel zorgen maken om de rechten van de verdachte moeten ze om meer middelen vragen. Dat is óók een plicht van de rechter.

1. G.J.M. Corstens. Rechten van bekennende verdachte worden niet aangetast. NRC Handelsblad, 15 januari 1993, blz. 7.

2. Recherche(le)ren, Deel 2, blz. 184. Rechercheschool Zutphen, 1989.

3. H.F.M. Crombag, P.J. van Koppen & W.A. Wagenaar. Dubieuze Zaken. Contact, Amsterdam, 1992. Hoofdstuk 7.

4. Idem: blz. 167-177.

5. Idem: blz. 20-23.