China en wij

De Fransen hebben altijd iets gehad met China. Zij beschouwen hun eigen land als een oude, sterke, gecentraliseerde staat en voor Europese begrippen is het dat ook. Maar vergeleken met China is het natuurlijk niets en daarom kijken Franse politici graag en met ontzag naar dit oude rijk.

De Franse intellectuelen hebben ook altijd iets gehad met China. Voltaire vond al dat China het best bestuurde rijk van de wereld was. Voltaire wist vrijwel niets van China, maar dat belette hem niet tot dit oordeel te komen, evenmin als vele Fransen na hem, zoals Jean-Paul Sartre bijvoorbeeld. En op Sartre volgden weer andere Franse intellectuelen, zoals de groep rondom het blad TelQuel die door Ieme van der Poel is behandeld in haar proefschrift over maoïsme en feminisme in enkele Franse literaire bladen (hier besproken op 9 januari), waarover vorige week gediscussieerd werd in Maison Descartes. In zekere zin kan men deze schrijvers dan ook als rechtstreekse navolgers van Voltaire beschouwen.

Maar er zit natuurlijk ook een andere kant aan. Want het China dat Sartre en de schrijvers van TelQuel bewonderden, was communistisch China en hun bewondering daarvoor kan niet los worden gezien van het engagement van intellectuelen met het communisme dat na de Tweede Wereldoorlog in Frankrijk zulke sterke vormen aannam. In die zin zijn de China-vrienden en China-reizigers van na de oorlog niet de opvolgers van Voltaire maar van de Rusland-reizigers en fellow travellers uit de jaren dertig. In Frankrijk bleef die traditie ook na de Tweede Wereldoorlog bestaan en werd zij aanvankelijk zelfs nog sterker. Wie niet voor de Sovjet-Unie en het communisme was, werd op zijn best beschouwd als rechts en reactionair, maar al gauw als fascist en pétainist. Na de rede van Chroestsjov over Stalins misdaden in 1956 werd dat iets minder, maar het was toch pas met Solzjenitsyn dat er een eind aan kwam. Waarom nu juist deze schrijver in Frankrijk - en alleen daar, lijkt het - zo'n grote invloed heeft gehad is mij nooit duidelijk geworden. Misschien weegt een Nobelprijs literatuur in Parijs zwaarder dan elders.

Inmiddels had een deel van de literaire intelligentsia haar aandacht en sympathie echter al verplaatst naar China. Sartre en Simone de Beauvoir waren er natuurlijk vroeg bij. Zij bezochten China al in 1955 en schreven er enthousiast over. Simone de Beauvoir beschreef met grote liefde de Chinese gevangenissen onder Mao, met hun ruime, zonnige kamers die uitkwamen op rustige tuinen en mooie bibliotheken. Alleen 's nachts, zo noteerde zij, ging het hek dicht. Dit past in de beste tradities van het fellow travelling want precies zo hadden de Webbs geschreven over de gevangenissen en kampen in de Sovjet-Unie onder Stalin. Zij vonden zelfs dat men eigenlijk niet van gevangenen kon spreken, want de mensen zaten er in feite vrijwillig. De poorten stonden trouwens meestal open. Er waren geen bewakers, maar er was alleen een geüniformeerde staf om te zorgen voor de “considerable social services” die werden geboden, zoals de Webbs schreven. Dat was in 1936, de tijd van de zuiveringen van Stalin dus.

Na de oorlog nam China de rol van de Sovjet-Unie over. De aantrekkingskracht van dit nieuwe model lag in de combinatie van communistische gelijkheid en "tiers-mondistische' vooruitgang. Maria Macciocchi zag in China een nieuwe mens opstaan, een combinatie van de homo faber en de homo sapiens. Roland Barthes constateerde met verbazing - en voldoening, want hij vond onze Westerse seksualiteit het resultaat van sociale onderdrukking - dat seks in China geen betekenis meer had en Michelle Loi hoorde er de doofstommen zingen. Zij begreep zelf ook wel dat dit een enigszins verrassende observatie was en voegde er daarom voor de sceptische lezer aan toe: “Dit land is waarlijk een wereld zoals ik er nog nooit een gezien heb. Een nieuwe wereld.”

Het is opvallend hoe sterk de parallellen tussen de verhalen over de Sovjet-Unie in de jaren dertig en China in de tijd van Mao zijn. Wij vinden in beide gevallen niet alleen voorbeeldige gevangenissen en gelukkige gevangenen, maar ook een nieuwe mens die is opgestaan. Deze nieuwe mens heeft naast veel andere goede eigenschappen ook een grote belangstelling voor de Westerse literatuur in het algemeen en het werk van de bezoekende schrijvers in het bijzonder. Ook dat is onveranderlijk.

Zo wil een bekende anekdote dat Sartre en Beauvoir in China in de trein drie arbeiders ontmoetten die allen vloeiend Frans bleken te spreken, alles van Sartre hadden gelezen en met hem een boeiende discussie over zijn Critique de la raison dialectique begonnen. Sartre en Beauvoir zouden hierover trots in Parijs gerapporteerd hebben. Dit verhaal is bijna te mooi om waar te zijn. Precies hetzelfde verhaal gaat immers over G.B. Shaw en zijn reis naar de Sovjet-Unie in de jaren dertig. Shaw werd na het overschrijden van de grens voorgesteld aan twee diensters in de stationsrestauratie die een grote kennis van zijn werk bleken te bezitten en daarover graag met hem van gedachten wilden wisselen. Volgens Shaw, die dit verhaal zelf vertelt in zijn reisverslag, bleek hieruit dat Russische diensters veel meer ontwikkeld en belezen waren dan Engelse.

Waar komt deze gekkigheid vandaan? Het is moeilijk te zeggen en er spelen waarschijnlijk verschillende factoren mee: de behoefte aan een ideaalbeeld, de afkeer van de eigen maatschappij en het geloof dat het toch ergens beter moet zijn. IJdelheid speelt natuurlijk ook mee want de regimes namen deze schrijvers serieus en legden ze in de watten. De behoefte een functie te vervullen in de maatschappij is ongetwijfeld een ander belangrijk motief. Het is kennelijk voor veel schrijvers een moeilijk te aanvaarden gedachte iets te doen dat geen enkel aanwijsbaar nut heeft. Vandaar dat sommigen van tijd tot tijd in politiek of maatschappelijk engagement hun toevlucht zoeken.

In Frankrijk komen daar een paar speciale factoren bij, die samenhangen met de eigenaardigheid van de Franse geschiedenis. De scherpe tegenstelling links-rechts, die sinds de Franse revolutie het debat beheerst, is er een, de cultus van de intellectueel, die dateert van de tijd van de Dreyfus-affaire, een eeuw later, een andere. Daarnaast was er de invloed van de Tweede Wereldoorlog die in Frankrijk het demoraliserende beeld van een collaborerende overheid te zien had gegeven. Met het Vichy-regime wilde niemand na de oorlog iets te maken hebben. Wie goed was, moest zich afzetten tegen Pétain en aangezien Pétain en Vichy rechts waren, was de beste manier om zich te distantiëren links te zijn. En de meest overtuigende manier om zijn links zijn te bewijzen was de communisten te steunen. Communisme was netjes, ja welhaast chic. In dit opzicht was Frankrijk een speciaal geval. In andere landen was het communisme immers nooit zo populair. Ook de Franse bewondering voor intellectuelen is een speciaal geval. In geen ander land worden intellectuelen zo serieus genomen en in geen ander land schrijven zij zoveel dingen die men zo moeilijk serieus kan nemen.