Stalingrad werd keerpunt in de oorlog; Russen weten zich geen raad met herdenking slag om Stalingrad

Vijftig jaar geleden brachten de Russen de Duitsers bij Stalingrad hun eerste grote nederlaag toe en keerden de kansen in de oorlog. Anno 1993 heeft Rusland echter moeite met de herdenking van dat heroïsche feit: het verleden, ook dat van de slag bij Stalingrad, zit nog steeds vol voetangels en klemmen.

De "slag om Stalingrad' begon op 17 juli 1942. Stalingrad was aanvankelijk van strategische betekenis omdat inname van de stad beslissend leek voor de vraag of de Duitsers erin zouden slagen de oliebronnen in de Kaukasus in handen te krijgen. De strijd kreeg voor Hitler en Stalin echter meer en meer symbolische betekenis, door de naam die het voormalige Tsaritsyn sinds 1925 droeg, maar ook omdat allengs duidelijk werd dat de uitkomst van deze slag tevens beslissend zou zijn voor het succes van de Duitse opmars in de Sovjet-Unie, die was begonnen met de inval in juni 1941 ("Operatie Barbarossa').

In de eerste fase van de strijd om Stalingrad was het Rode Leger, onder meer door massale bombardementen van de Luftwaffe, nagenoeg geheel uit de stad aan de Volga verdreven. Het 62ste leger van generaal Valeri Tsjoeikov had in het najaar nog slechts stellingen weten te behouden, op drie fabrieksterreinen in de stad. Later bleef er zelfs niet meer over dan een huis aan het "Plein van de negende januari' vlakbij de oever van de rivier, waar een groepje van zestig soldaten onder leiding van sergeant Joeri Pavlov bijna twee maanden stand wist te houden.

Dankzij een riskante tangbeweging en de aanhoudende winter, waartegen met name de Duitse troepen niet opgewassen bleken, kon Tsjoeikov het initiatief terugwinnen. Het opperbevel van de Wehrmacht en Hitler wilden aanvankelijk niet geloven dat de omsingeling van het Duitse Zesde leger fataal zou zijn. Generaal Paulus kreeg dan ook bevel stand te houden, terwijl Duitse eenheden onder bevel van generaal Von Hoth oprukten om hem te ontzetten. Eind 1942 was Von Hoth Stalingrad op vijftig kilometer genaderd, maar hij zou er onder druk van het op alle fronten ontbrandende winteroffensief niet meer in slagen verbinding te maken. Hoewel de Wehrmachtstaf Hitler verzekerde dat het behoud van Stalingrad militair nu geen enkel doel meer diende, verbood Hitler de capitulatie. Hij bevorderde Paulus tot veldmaarschalk “omdat het in de Duitse militaire geschiedenis nog nooit is voorgekomen dat een veldmaarschalk heeft gecapituleerd”.

De beloofde voorraden, die door de Luftwaffe zouden worden aangevoerd kregen toen grotendeels andere prioriteiten. Stalingrad werd de facto opgegeven. De heldhaftige zelfmoord waartoe Hitler Paulus met diens bevordering wilde verplichten, ging echter niet door. Na bittere gevechten van man tot man, waarbij Stalingrad straat voor straat, huis voor huis en verdieping voor verdieping door de Russen werd heroverd, gaf Paulus, die zich had verschanst in de kelder van het Univermag-warenhuis, zich op 31 januari over. Tot 2 februari zouden alle 91.000 overgebleven Duitse manschappen - de Wehrmacht was de slag met 320.000 man in 22 divisies begonnen - zijn voorbeeld volgen.

Paulus had voor zichzelf een voorkeursbehandeling bedongen en zou later nog nuttige diensten zou bewijzen aan de leiders van de DDR. Slechts zesduizend Duitsers zouden hun krijgsgevangenschap, waarbij ze uitgemergeld en wel moesten meehelpen bij de wederopbouw van het zo goed als geheel vernietigde Stalingrad, uiteindelijk doorstaan.

Ruim een miljoen Sovjet-burgers en meer dan 630.000 Duitsers en soldaten van hun As-bondgenoten (met name Roemenen) hadden de strijd niet overleefd. Onder hen tienduizenden die niet aan het front sneuvelden, maar achter de linies wegens “lafheid” of “verraad” door de NKVD en SS standrechtelijk waren geëxecuteerd, omdat “wij bolsjewieken nu eenmaal geen studentjes zijn” (Stalin anno 1943 tegen Beria en Zjoekov), dan wel omdat “het individu toch moet sterven” (Hitler, 1 februari 's middags, nadat hij van Paulus' overgave had vernomen).

VOLGOGRAD, 3 FEBR. In hotel Volgograd maakt de chef van de "snackbar' op de vierde verdieping zich vooral zorgen om de beeldkwaliteit van MTV. Terwijl in het sportpaleis de veteranen van de "slag bij Stalingrad' worden toegesproken door burgemeester Joeri Tsjechov, provinciaal bestuurder Aleksandr Morozov en parlementsvoorzitter Roeslan Chasboelatov, probeert de hotelier wanhopig de nu ook in Rusland razend populaire groep Nirvana fatsoenlijk op de buis te krijgen. De technische dienst moet er zelfs bijkomen. Als die het zaakje klaart, haalt de chef tevreden adem. Even wordt er daarna nog naar de film De laatste brief gekeken. Maar die verveelt al snel. Waarna men weer overgaat tot de orde van de dag, die van het commerciële videokanaal dat ook MTV uitzendt.

Het is maandag 1 februari. Het is vijftig jaar en één dag geleden dat het Rode Leger veldmaarschalk Paulus op de zuidflank van het Stalingradse front tot overgave heeft weten te dwingen. Morgen zal de capitulatie van generaal Strecker in de noordelijke omsingeling en daarmee het definitieve einde van de Wehrmacht aan de Volga worden herdacht. Maar hier in hotel Volgograd zijn Nirvana, REM en Madonna belangrijker.

Ook elders in het voormalige Stalingrad is de herdenking vooral een vrije dag. De ouderen slenteren met hun kinderen en kleinkinderen wat over straat, doen een boodschap, eten een ijsje en kijken gefascineerd naar de MiGs die over het centrum jagen. De jongeren laten zich 's avonds aan de kade in het ijskoude restaurant vollopen en dansen, hun bontmutsen en winterjassen aan, wat wankel op de muziek van het onvermijdelijke top-veertigbandje. Dat is nu eenmaal een traditie in oud en nieuw Rusland. Ook de herdenking van de "Grote Oktoberrevolutie' was vroeger bovenal een alibi om het op een zuipen te zetten. Met de jeugdige kozakken, die in vol ornaat zijn uitgegaan - met berenmutsen, zwepen, dolken, koppelriemen en hoge laarzen - is halverwege de avond helemaal geen land meer te bezeilen. De volgende dag lopen de kozakken dan ook als een wanordelijke troep zoutzakken door de stad.

Ze blijken dan niet de enigen te zijn geweest. Menig hoogwaardigheidsbekleder verschijnt dinsdag eveneens met een zware kegel bij de officiële plechtigheid op het Plein der gevallen helden, zo weten althans de collega's die vice-president Aleksandr Roetskoi 's nachts hebben vergezeld te melden. Waarom? “Omdat alleen een dronken officier een echte officier kan zijn”, luidt het antwoord.

Een gedachte dringt zich hier in Volgograd aldus onvermijdelijk op. Zelfs met de "slag om Stalingrad', die in 1943 de oorlog een andere wending gaf en Europa een ander gezicht, weet men zich in democratisch Rusland geen raad.

Het gevoel bekruipt je overal. In de vergaderzaal van het provinciale bestuursapparaat van Volgograd, waar maandag zegge en schrijve zes veteranen uit Kazachstan en Wit-Rusland plichtmatig worden bejubeld door officieren van de huidige generatie die eerst te laten komen en vervolgens met elkaar blijven praten als de veteranen het woord voeren. In het sportpaleis, waar tezelfdertijd de clichématige telemarathon voor “vrede, eensgezindheid en naastenliefde” vooral ontsierd wordt door technische storingen. Tijdens de culturele avond in de schouwburg, waaruit de ongeveer honderd veteranen om zeven uur worden weggewerkt omdat de Figaro er vanavond moet worden opgevoerd. Bij de kranslegging dinsdagmorgen bij de "eeuwige vlam', waar de bodyguards van Chasboelatov in hun gifgroene overjassen het beeld domineren. En zelfs bij de feestelijke lange-afstandsloop daarna, die om vijf voor twaalf wordt afgeschoten en na een halve minuut halsoverkop wordt teruggefloten omdat er voor het middaguur een minuut stilte is afgekondigd die de organisatie van de wedstrijd kennelijk even over het hoofd heeft gezien.

De enigen voor wie "Stalingrad' geen probleem is, zijn degenen die het communistische en imperiale verleden van Rusland hoog willen houden. Zij gebruiken "Stalingrad 1943' nadrukkelijk omwille van hun eigen actualiteit. Zoals die jonge man die tussen de kransen staat met een spandoek waarmee hij eist dat de naamsverandering van 1961 “ten grave” wordt gedragen. Of die oudere veteraan die achter het hoofd van Chasboelatov een foto van Stalin ophoudt. En natuurlijk de delegatie van het door Jeltsin tevergeefs verboden Front van Nationale Redding dat een eigen krans komt leggen en daarmee helder afsteekt tegen de democraten. Want die zijn vandaag in geen velden of wegen te bekennen. Zelfs president Jeltsin heeft de inwoners en veteranen van Stalingrad slechts vanuit het Kremlin toegesproken.

Gelukkig wordt het bij de plechtigheid alras een chaos, wat de sfeer er direct gezelliger op maakt. Maar desalniettemin: wat is er toch aan de hand met Stalingrad?

Het antwoord is eenvoudig en moeilijk tegelijkertijd. In Stalingrad symboliseert zich het succes en de tragedie van het stalinisme. Het succes is altijd helder geweest. Rondom Stalingrad hebben de “helden” van het Rode Leger het fascisme een beslissende slag toegebracht, dankzij de leuzen “dood aan de Duitse bezetters” en “geen stap terug”. Hooguit de figuur van Stalin heeft in de nu verstreken vijf decennia steeds in een ander licht gestaan - hij evolueerde van (meteen na de oorlog) een “briljante veldheer” tot (onder Chroesjtsjov) de leider die de Sovjet-Unie zijns ondanks naar de zege had gevoerd, van (onder Brezjnev) de wat mistige figuur die bij voorkeur uit de boekjes werd weggeschreven ten gunste van generaals als maarschalk Zjoekov tot uiteindelijk (onder Gorbatsjov) een geheel falende bevelhebber.

De oorlogsgeschiedenis van de Sovjet-Unie als geheel is echter nog niet aan een genuanceerde herijking toe. Gelet op al die nu ontdooide en gecompliceerde vraagstukken - zoals collaboratie, binnenlands antisemitisme en partijterreur - zou er wel enige aanleiding toe zijn om het minder rooskleurige en heroïsche beeld verder uit te werken dat zich de laatste vijf jaar in de Sovjet-historiografie voorzichtig heeft gepresenteerd. Maar de interne problemen en frustraties van de “grootse macht” Rusland laten juist nu niet toe dat er ook nog eens wordt afgedongen op de “overwinning” van 1945.

Dat nu leidt in Volgograd tot die treurige paradox, zelfs tot de paradox dat het Duitsers zijn die de Russen er een nieuw perspectief op hun eigen Grote Vaderlandse Oorlog komen presenteren. In het museum dat geheel is gewijd aan de "slag bij Stalingrad' is ter gelegenheid van de vijftigste verjaardag dezer dagen namelijk geen Russische tentoonstelling ingericht maar een Duitse: de expositie "de oorlog van Duitsland tegen de Sovjet-Unie' die twee jaar geleden door de Berlijnse historici Reinhard Rürup en Peter Jahn is samengesteld.

Het is een tentoonstelling in de beste Duitse tradities. De expositie is niet eng patriottisch, heroïsch of verhullend en bovendien niet bang voor enige historische continuïteit als daartoe reden is. Ze biedt de gewone inwoners van Volgograd aldus voor het eerst breed inzicht in twee tot nu toe onderbelichte aspecten van de Duits-Russische geschiedenis: jodenvervolging en terreur als onvermijdelijke contra-indicaties van ideologisch totalitarisme.

Maar wellicht juist daarom staan de oorlogsveteranen uit Stalingrad er in het oorlogsmuseum wat verward bij. Hun Duitse lotgenoten, in burgerkleding en zonder eretekens, praten honderd uit, soms zelfs in de paar woorden Russisch die ze van vijftig jaar geleden hebben onthouden. Op de tientallen Sovjet-mannen en -vrouwen, herkenbaar aan hun onuitputtelijke hoeveelheden medailles en gezichten die hen op zich al tien jaar ouder maken dan hun Duitse leeftijdgenoten, hebben de openingswoorden van Peter Jahn (“We kunnen de geschiedenis alleen begrijpen als we scherpe vragen durven te stellen, deze tentoonstelling is dus niet het laatste woord”) daarentegen geen indruk gemaakt. En dus rent sergeant Maksim Kosych weg als hij metropoliet Pitirim (de "Tsjekist' binnen de kerkelijke hiërarchie) ziet langslopen, om hem te vertellen dat hij in 1943 een heel Duits bataljon tot capitulatie heeft bewogen, simpel door hen met witte vlag tegemoet te lopen en "achtung, achtung' toe te roepen. Luitenant Anna Tsjoeikova van de Panfilova-divisie en schoonzus van de generaal verzucht: “Er is hier helemaal niets over onze geschiedenis, over onze generaals en soldaten.” En korporaal Sergej Grigorevitsj uit Alma-Ata, die als jongen van twintig de slag bij Stalingrad heeft overleefd en nu zijn tranen van blijdschap en herinnering niet kan bedwingen, bromt ineens. “Drie mannen. Dat is genoeg, dan komt alles weer goed. Drie mannen: Zjoekov, Dzjerzinski en Stalin.”