Open grenzen

In januari keerden we met de auto terug uit Nederland, op weg naar onze vaste standplaats, vijf Europese landen door, en we voelden ons zo'n beetje tot de voorhoede behoren - in staat om uit de eerste hand te controleren, bedoel ik, of het wat was geworden met die veelbesproken open grenzen.

We reizen nogal eens op en neer, en hebben aan elke grensovergang de nodige herinneringen. We waren ook nooit onopvallend, dat hielp. Er viel uit het rijke, verleidelijke vaderland altijd veel mee te nemen, en vergeleken met onze auto zag die van een Turk, volgestouwd met alle produkten - van opklapbare keukentrappen tot tomatenketchup in groothandelshoeveelheden - waarmee hij in zijn geboortedorp indruk wilde maken, er vaak bescheiden uit.

Wat hebben we in de loop der jaren, in en achter en bovenop de auto, niet meegesjouwd aan nuttige en nutteloze zaken! Het moet een surrealistische indruk hebben gemaakt. Ik herinner me een klavecimbel, een moerbeiboom met kluit, een schilderij, honderd waterlelies, een kist met tweeduizend sigaren, een Chinese parasol, een tweedehands paardezadel, een druiprek, een grafsteen, gedroogde pens voor de hond en een computer. En altijd weer een paar kubieke meter boeken.

Genoeg om ons onveranderlijk in de warme belangstelling van de douaniers te mogen verheugen.

Ook ditmaal was het met onze bagage niet anders gesteld. We zeulden zelfs een aanhangwagen mee, die uitpuilde van Voorwerpen Waarvan Je Nooit Weet Waartoe Ze Nog Kunnen Dienen, benevens van alle onzin die door een hopeloze koopziekte en goedgeefse vrienden in een Hollandse decembermaand aan de mens kan vastkoeken.

De grens met België telt, zoals bekend, niet mee. Maar ook aan de Noordfranse grens bleken de douaniers uit hun glazen hokjes verdwenen. We betrapten ons er op dat we tóch nog stopten voor de lege hokjes, alsof er de mogelijkheid bestond dat een allerlaatste douanier toevallig op zijn knieën naar een knoop aan het zoeken was en zó overeind kon springen. Ietwat onwennig reden we door.

Zoals er een hele tijd een zwarte vlek in je oog blijft dansen als je in de zon hebt gekeken, zo blijf je nog lang in de houding springen voor een uniformachtige leegte.

Ook in Zuid-Frankrijk was geen grenswachter te zien. En wat waren ze daar altijd lastig geweest! Jaren geleden had daar eens een groep douaniers, gewapend met schroevedraaiers, een breekijzer en een hefboom, onze hele auto gedemonteerd. Twaalf uur oponthoud. Niets gevonden van wat ze zochten, en niet één excuus. Nu was er ineens niemand. Zouden ze door de staat zijn herschoold als deurwaarder of cipier? Arme wanbetalers. Arme gevangenen.

Als om het twee-snelhedenbeleid van de Europese eenwording te illustreren zaten er in de Spaanse en, later, in de Portugese hokjes nog wel douaniers. Nog steeds onwennig, haast atavistisch staken we onze paspoorten omhoog. Ze keken er lauwtjes naar en sloegen een pluisje van hun uniform. Voor onze bagage, en alles wat achter ons aanhobbelde, hadden ze al helemaal geen belangstelling.

Een jaar geleden nog hadden we aan de Portugese grens alles moeten uitpakken. Drie uur oponthoud. Een douanier ontdekte op het laatst, in een plastic zak, de gedroogde en curieus gevormde porties hondepens. Hij bekeek ze, rook eraan, bestudeerde ze, bevingerde ze. Een uur extra oponthoud. Vervolgens mochten we alles zelf weer inpakken.

Dat hadden we zo zenuwachtig en geërgerd gedaan dat de laatste honderd kilometer voor huis, op de bochtige Portugese wegen, de sigaren door de auto vlogen en ik met mijn hoofd bekneld zat tussen de takken van de moerbeiboom.

Aan dat soort ergernis lijkt, ik kan het nu persoonlijk getuigen, een einde gekomen. Dat er open grenzen zijn mag hier en daar eens knabbelen aan een cultureel identiteitje of aan de rijke verscheidenheid van nationale volksdansen, volwassen is het wel.