Om het levenseinde

DEZE MAAND twee jaar geleden debatteerde de Tweede Kamer over een speciale meldingsprocedure voor euthanasie. De kritiek was dat dit neerkwam op “pseudowetgeving”, een regeling via de legislatieve achterdeur die dit uiterst principiële probleem onwaardig was. Maar het kabinet vond dat bezwaar overdreven: het ging slechts om een puur procedurele regeling. Dezer dagen verdedigt hetzelfde kabinet wel degelijk een aangeklede meldingsprocedure als oplossing voor een kwestie die door het Wetboek van strafrecht wordt geklasseerd onder de zware levensdelicten.

Er klopt iets niet, getuige ook de bepaald niet overweldigende medewerking van de medische stand met de nieuwe procedure. Minister Hirsch Ballin (justitie) zei gisteren ter verdediging van zijn aanpak dat het aantal meldingen van euthanasie dan toch maar is gestegen van 440 in 1990 tot 1.318 vorig jaar. Naar conservatieve schatting zijn er echter 2.300 gevallen van euthanasie per jaar. En de betekenis van een behoorlijke meldingsprocedure zit hem natuurlijk vooral in de marginale gevallen. In de Kamer werd openlijk betwijfeld of artsen geneigd zijn “onveilige” euthanasiepraktijken te melden. Buiten de euthanasie zelf is bovendien een heel scala van medische beslissingen rondom het levenseinde (MBL) gegroeid, waarvan de controleerbaarheid volgens berekeningen van de rechtssocioloog Griffiths helemaal onzeker is.

POLITIEK IS DE race gelopen, was hij dat eigenlijk vorig jaar al bij de bespreking van de euthanasienota van Hirsch Ballin en Simons. De (wettelijke) leer is voor het CDA, heet het, de PvdA krijgt de praktijk. Na ruim twintig jaar politieke verdeeldheid is dat op zichzelf een prestatie. Maar het is een teken aan de wand dat het enthousiasme van de buitenwacht niet verder komt dan kwalificaties als “een werkbaar juridisch monstrum”. De kloof tussen wet en werkelijkheid wordt naar valt te vrezen niet werkelijk gedicht. Het zij nog maar eens gezegd: dat is niet goed voor de eerbied voor de wet die dit kabinet zo graag predikt.