Nether Art toont respons van een boertig klompenvolkje op de jaren negentig; Kunst en varkensmest in overvloed

Tentoonstelling: Nether Art; a Dutch Response to the Nineties. T/m 14 febr. in het West-Indisch Huis, Herenmarkt 97, Amsterdam. Dag. 11-17u. Catalogus ƒ 35.

Wij zijn een boertig klompenvolkje. Dit lijkt de belangrijkste boodschap te zijn van "Nether Art: a Dutch response to the Nineties'. De tentoonstelling met werk van tien jonge Nederlandse kunstenaars heeft veel weg van een oubollig, Kapitein Rob-achtig speelgoedland. De ambiance van het West-Indisch Huis, waar de herinnering aan oude heldendaden levend gehouden wordt - de kamers dragen namen als "Piketkamer' en "Kraaienest', geschilderd in vergulde letters boven de deurposten - draagt hiertoe nog bij.

Johan Starken bijvoorbeeld exposeert een op de vloer liggende roos die is opgebouwd uit honderden kleine pastelkleurige legertankjes, als kruissteekjes in een borduurwerk. "Operation Desert Flower' luidt de titel. Seymour Likely toont in een rossig verlichte kamer een stellage van dertig kleine identieke viskraampjes, vervaardigd uit eerlijk, ongeverfd hout. En Hugo Kaagman maakt met behulp van spuitbus en sjablonen Delfts Blauwe schilderijtjes.

Onze "ijver' en "efficiëntie' heeft ons een overvloed opgeleverd aan middelmatige kunst en varkensmest, aldus de Amerikaan Thomas Sokolowski. Hij ziet hierin de equivalent van Simon Schama's "Embarrassment of Riches'. Sokolowski, directeur van de Grey Art Gallery & Study Center in New York, is mede-samensteller van de expositie Nether Art, die een initiatief is van van de Amsterdamse Stichting Onderneming & Kunst. Ook in ander opzicht legt Sokolowski verbanden met de Gouden Eeuw. De tien exposanten werken volgens hem met verschijnselen uit de “large pot of high and low Dutch culture”, verschijnselen die “niet verschillen van de koeien van Hobbema en Breugels boeren”.

Steeds weer wordt het werk van de betrokken exposanten vergeleken met de zeventiende-eeuwse schilderkunst. Rudi Fuchs bijvoorbeeld trok in zijn openingstoespraak parallellen met Jan Steen. Deze zeer oppervlakkige, volkomen a-historische vergelijkingen zijn gebaseerd op het idee dat het hier "realistische' kunst zou betreffen met een "typisch hollandse' thematiek. Ook in de catalogus komt het begrip realisme uitgebreid aan de orde. Maar hoe men de veelzijdige term realisme ook zou definiëren - in zeventiende-eeuwse zin, als idealiserende landschapsschilderkunst of als genretafereel met tal van verborgen betekenissen; of in de negentiende-eeuwse, materialistische zin van de schilder Courbet -, de kunst waar het hier om gaat voldoet aan geen enkele van deze definities. Er komen weliswaar figuratieve elementen in voor, maar dat is dan ook alles.

Het hier getoonde werk, van Rob Scholte tot Siert Dallinga, verhoudt zich niet tot de zichtbare werkelijkheid, maar tot de kunstgeschiedenis. Wie hier de term "realisme' aan verbindt, doet precies datgene waar Barnett Newman dertig jaar geleden in een interview tegen waarschuwde: het verwarren van de afgebeelde objecten met het thema, de betekenis, van het schilderij. Bijvoorbeeld: er wordt een mooie bloem afgebeeld, en dus is het thema de schoonheid van de natuur.

De "werkelijkheid' in deze schilderijen is tweede- of zelfs derdehands. Er is geen direct verband met een zintuiglijk ervaarbare werkelijkheid, in tegenstelling tot wat de term "realisme' suggereert. Een citroen van Ab van Hanegem gaat niet over een citroen - de geur, de smaak, de textuur, of zo men wil de schoonheid, van een citroen - maar fungeert als embleem van het zeventiende-eeuwse stilleven. Van Hanegem combineert de citroen met optische bouwsels die op hun beurt ontleend zijn aan het werk van Escher. Zijn thema is een in de naoorlogse kunst welbekend kunsttheoretisch thema: de (on-)mogelijkheid van de illusionistische voorstelling op het platte vlak. Zo ook de "blow up' die Scholte maakte van de beroemde Schreeuw van Edward Munch. Het thema zou je hier kunnen omschrijven als de (on-)mogelijkheid van het schilderen van ware, oprechte emoties.

De kunstwerken op deze tentoonstelling hebben dus niet hun oorsprong in zintuigelijke ervaringen van de werkelijkheid, maar in kunsttheoretische overwegingen. Het is een zeer onzintuigelijk soort kunst.

De gewatteerde handwerk-schilderijen van C.A. Wertheim, bijvoorbeeld haar "Zelfportret naar 'Joseph Barra' van David, 1794, onderscheiden zich door hun inventiviteit en gevoel voor humor. Haar combinatie van kitsch - de bedrukte stoffen met krokodillen of flamingo's, en motieven ontleend aan Hermès-sjaals - en monumentale schilderkunst uit het verleden, is heel effectief.

Het meest consequent in zijn aanpak is Siert Dallinga. Het "pseudo-intellectualisme' van de modernistische avantgarde-kunst - de afkeer hiervan deelt hij met de andere exposanten - wil hij vervangen door wat hij noemt "Boerenkunst', een schilderkunst die direct moet apelleren aan de emoties van een breed publiek. Hiertoe schilderij hij cliché-taferelen als een paar houten klompen op een maanverlichte duintop. Dallinga's afkeer van de modernistische dogma's is na te voelen, en is representatief voor veel jongere beeldende kunstenaars. Maar dat zijn klompenkunst een vruchtbaar alternatief zou zijn, is hoogst twijfelachtig.