Nederland: een vrolijk concurrerend land in problemen

DEN HAAG, 3 FEBR. Plotseling komt er grind uit de douche. DAF (vrachtauto's) verkeert in surséance van betaling. Fokker (vliegtuigen) werpt zich in de armen van de Duitse reus Daimler Benz. DSM (chemie) zet personeel aan de kant en is op zoek naar een partner. NedCar (personenauto's) glijdt af tot schroevedraaierfabriek. Hoogovens (staal) saneert.

Nederlanders kijken met verbazing naar hun economie: opeens is ze er weer, de Nederlandse industrie. Voor het eerst sinds jaren eist de nationale brekebeen weer alle aandacht op. Gaat het bij DAF, Fokker en Hoogovens om een nieuwe bedreiging voor de Nederlandse economie of gaat het slechts om incidenten, om de onontkoombare gevolgen van een slechte conjunctuur?

De hernieuwde kennismaking is niet van vrij van schuldgevoelens: beschaamd komt Nederland tot de ontdekking dat het zijn industrie uit het oog was verloren. Tien jaren van almaar stijgende welvaart hadden het zicht op deze activiteit ontnomen.

Er was ook zoveel geruststellends. De werkloosheid daalde, de export explodeerde, de Nederlandse produktiviteit steeg. De financiële wereld voorzag in de behoefte aan voorpagina-nieuws. Mega-fusies veranderden snel het financiële landschap. Met grootse gebaren bereidden de financiële dienstverleners zich voor op de komst van de Europese interne markt. De effectenbeurs verheugde zich in een nimmer vertoonde belangstelling. De dienstverlening kreeg er een nieuwe, rijke afdeling bij, de automatisering. Van de industrie hoorde men vooral dank zij de flamboyante Brabantse bedrijvenverzamelaar Van den Nieuwenhuijzen die al snel uitgroeide tot een idool.

De industrie kwam niet voor op de publieke agenda. De bloedingen van het begin van de jaren tachtig waren gestelpt, de herinneringen aan de massale bedrijfssluitingen uit de jaren zeventig langzaam vervaagd. Doorwrochte rapporten over het Industrieel Elan behoorden tot het verleden. De bekende pleitbezorger van de Nederlandse industrie, prof.dr. Arie van der Zwan, leidde een software-onderneming. Nederland was een vrolijk concurrerend land geworden; de explosie van de WAO voltrok zich nog in stilte.

Over de prestaties van de industrie hoefde zich ook jarenlang niemand zorgen te maken. De tienduizenden banen die in de crisis aan het begin van de jaren tachtig verloren waren gegaan, kwamen er langzaam maar zeker weer bij. De uitgaven voor onderzoek en ontwikkeling schoten omhoog.

Steeds meer bedrijven namen bovendien deel aan de race om innovaties. De industriëlen zelf hadden weinig klachten over de prestaties van hun bedrijven en ze hadden ook steeds minder vetes met hun land. De oude euvels van Nederland, waar de ondernemers jaren tegen te hoop waren gelopen, waren verdwenen. De loonkostenstijgingen waren niet langer veel hoger dan elders, de prijs van de energie was niet meer uitzonderlijk hoog, er was vermogen beschikbaar en ondernemers waren bevrijd van het slechte imago dat "links" ze in de jaren zeventig had aangewreven.

Pag.18: Cijfers van de OESO relativeren uitverkoop van onze industrie

Al waren de belastingen voor het individu natuurlijk nog altijd veel te hoog. Maar wie dat niet langer accepteerde, restte nog altijd de vlucht naar België.

Waarschuwingen zijn er natuurlijk wel geweest, zoals altijd. In 1990 bracht een onverwacht laag winstcijfer de president-directeur van Philips ten val. De prelude, zo bleek later, voor een sanering die zijn weerga in Nederland niet kende. De eerste schok was groot. Maar het ging bij nader inzien toch vooral om een incident, om een honderd jaar oude reus die loom en vet was geworden. De publieke zelfkastijding van het concern, uitgedragen door de nieuwe topman Timmer, onderstreepte dat alleen nog maar. De zorg om Philips bleef, maar al vrij snel pakte het land de draad weer op.

Het einde van de jaren '80 - jaren van voorspoed en hebzucht - is al vele malen bezongen, maar pas sinds eind vorig jaar heeft de economie zich aan de jaartelling aangepast. De conjunctuur laat het afweten en een groeiende groep industriële ondernemingen meldt problemen. De textiel, de scheepsbouw en de op lage lonen gebaseerde massafabricage hebben Nederland al lang geleden de rug toegekeerd. Nu dreigt te gebeuren met een nieuwe generatie. Moderne, geavanceerde ondernemingen, die het middelpunt vormen van een kluwen kleinere bedrijfjes en onderzoeksinstellingen. Bedrijven, die tot voor kort werden geroemd om hun vernieuwende karakter en om hun vermogen in de internationale concurrentiestrijd overeind te blijven, niche-spelers op internationale markten met moordende concurrentie.

Nederland reageert traditiegetrouw. Barmhartig wordt de industrie toevertrouwd aan de goede zorgen van de overheid. Ondernemers, ambtenaren, vakbonden, Kamerleden, en Arie van der Zwan wiens software-avontuur ten einde is, wenden zich tot de regering met nieuwe pleidooien voor industriebeleid. Minister Andriessen van economische zaken, heeft de roep om actie inmiddels omgezet in een nieuwe financiële faciliteit van 880 miljoen voor de industrie, bekostigd door overheid, banken en pensioenfondsen. Gaat het bij DAF, Fokker en Hoogovens inderdaad om een Nieuwe Bedreiging voor de Nederlandse economie, of zijn het slechts incidenten, kleine haperingen in een verder voortreffelijk draaiende machinerie? Heeft Nederland opnieuw een industrieel probleem?

Op het eerste gezicht is van een probleem geen sprake. Vergeleken met de jobstijdingen in de kranten, ademen de industrie-statistieken van de OESO een serene rust uit. Nederland kan terugzien op een decennium van gestage groei van de industriële produktie, leert een recente studie. De industrie groeide in de afgelopen twaalf jaar zelfs een tikkeltje sneller dan de economie in haar geheel. Het aandeel van de industrie in het bruto nationaal produkt liep op van 19 procent tot iets meer dan 20 procent.

Ook de ontwikkeling van de Nederlandse export was niet onverdeeld negatief. De industrie is goed voor ruim 60 procent van de Nederlandse uitvoer. De groei van de import van industriële produkten in Nederland bleef in de afgelopen tien jaar ver achter bij de groei van de export van industriële produkten. Daarmee nam Nederland in Europees verband een uitzonderingspositie in. De grote EG-partners noteerden een snellere groei van import dan van de export. Wel groeide de totale exportmarkt voor industrieprodukten sneller dan de Nederlandse export, waardoor Nederland per saldo terrein verloor. Maar dat verlies was veel minder groot dan het gemiddelde verlies van de EG. Bovendien waren het alleen de zuidelijke EG-lidstaten en Ierland die terrein veroverden, landen met een gebrekkige industriële structuur die veel ruimte voor verbetering biedt.

De cijfers relativeren ook de noodkreet, hoofdzakelijk gevoed door de spectaculaire bijna-verkoop van Fokker aan Deutsche Aerospace, dat Nederland bezig is aan een uitverkoop van de industrie. In de afgelopen tien jaar investeerden Nederlandse industriële ondernemingen ruim drie keer zoveel in het buitenland dan buitenlandse bedrijven hier besteedden. Als Nederland een "Fokker' aan het buitenland verliest, veroveren Nederlandse ondernemingen drie "Fokkers'. Tegenover een verkoop van 800 miljoen gulden staan gemiddeld aankopen ter waarde van 2,3 miljard. Er is dus eerder sprake van een toenemende internationale vervlechting van eigendomsverhoudingen die zich in het voordeel van Nederland ontwikkelt, dan van een eenzijdige uitverkoop van Nederlandse industrie.

Overzichten van de directe investeringen in Nederland, jaarlijks opgesteld door De Nederlandsche Bank, geven wel aan dat buitenlandse bedrijven konsekwent meer in Nederland investeren dan Nederlandse bedrijven zelf. Zo bezien komt een steeds groter deel van de Nederlandse industrie inderdaad in buitenlandse handen. De "uitverkoop' heeft echter ook een positieve kant: internationaal gezien heeft Nederland blijkbaar een acceptabel vestigingsklimaat voor industriële ondernemingen.

Moest Nederland in 1982 constateren dat de industrie in de voorafgaande jaren een aanzienlijke crisis had doorgemaakt, in 1993 kan Nederland terugzien op een periode van herstel en consolidatie. Van enig groot drama getuigen de statistieken in ieder geval niet. Daarbij moet wel worden bedacht dat de misère die zich in de afgelopen maanden heeft afgetekend nog niet in de overzichten is verwerkt.

Kwantitatief gezien gaat het dus zeker niet slecht met de industrie. Maar cijfers schijnen weliswaar licht op de werkelijkheid, ze hebben ook de neiging haar te versluieren. De algemene trends zeggen veel over het geheel, maar niets over samenstellende delen. Achter de geruststellende overzichten van OECD en DNB gaat een onevenwichtige, bedreigde wereld schuil.

Medewerkers van TNO stelden een lijst op van de vijftig meest concurrende produkten van Nederland, afgaand op hun aandeel van de wereldmarkt. De helft van die produkten is afkomstig van de agro-industrie, met snijbloemen en vogeleieren als koplopers. De top-vijftien van de meest concurrerende traditioneel-industriële produkten leest, te beginnen bij nummer één, als volgt: gasvormige koolwaterstoffen, ruwe alkyden, elektrische lampen, acyclische koolwaterstoffen, tractors, gasolie, ethers en acetaten, synthetische rubber, cyclische koolwaterstoffen, alkyden en polyesters, fosfaten, ammoniak, tin, garens van kunstmatige vezels en gloeilampen.

Daarmee is in één adem het industriële potentieel van Nederland samengevat. De machine-industrie scoort een keer, de verlichtingsindustrie (Philips) twee keer en de procesindustrie maar liefst twaalf keer. Robots, computers, camera's en andere produkten waar een industriële economie goede sier mee pleegt te maken, komen op de lijst niet voor. Industrie betekent in Nederland dus vooral agro- en proces-industrie. Behalve voor boter, kaas en eieren, staat industrie in Nederland voor bulkprodukten en halffabrikaten, voor kapitaalsintensieve sectoren die veel kennis vereisen maar zeer weinig mensen.

De landbouw en de ermee verbonden voedings- en genotmiddelen industrie kent haar eigen problemen. Het produktie-areaal moet hoe dan ook omlaag, voor de verwerkende industrie dreigt inkrimping. Hetgeen niet wegneemt dat de industrietak van Unilever, Heineken en Campina met 140.000 werknemers en een omzet van 75 miljard gulden de grootste van Nederland is.

In de chemie, met 92.000 werknemers en 45 miljard omzet bedrijfstak nummer twee, is de internationale concurrentie hevig en de gevoeligheid voor de conjunctuur hoog. Daarnaast kampt deze industrietak als geen andere met milievervuiling en de stringente eisen die het dichtbevolkte Nederland daaraan stelt. Het is nog niet duidelijk hoe de procesindustrie met die bedreiging zal omgaan. In theorie heeft ze twee mogelijkheden: vluchten of vechten. Ze kan de wijk nemen naar Venezuela of Oost-Europa en daar produceren onder minder hinderlijke wetgeving. Maar er is een aanzienlijke belemmering om dat te doen: de sector is zo kapitaalsintensief dat je het bedrijvenpark niet zomaar onder de arm neemt en verplaatst.

De procesindustrie kan ook proberen het Nederlandse concurrentie-nadeel om te zetten in een voordeel door als eerste op grote schaal te investeren in de ontwikkeling van milieuvriendelijkere technologie om daar later, als ook elders de milieunormen omhoog gaan, van te profiteren.

Hoe dan ook, de nieuwe probleemgevallen komen niet uit de dominante sectoren. Het is het tweede echelon dat de conjuncturele tegenwind en de internationale trend naar schaalvergroting niet de baas kan. Afgezien van de elektrotechnische industrie, wier lot nauw verbonden is met de toekomst van Philips, zitten de huidige noodgevallen in de transportmiddelen, de basismetaal en de textiel. Industriesectoren die in Nederland te klein zijn (transport), te traditioneel (textiel) of in de tang worden genomen door dumping van laagwaardige produkten enerzijds en hoogwaardige concurrentie anderzijds (basismetaal). Sectoren, die gezamenlijk kleiner zijn dan de branche voor voedings- en genotmiddelen.

De constatering dat de acute probleemgevallen zich voordoen in de eerste divisie en niet in de ere-divisie van de Nederlandse industrietakken (Philips uitgezonderd) stelt op de eerste blik gerust. De belangrijkste sectoren blijven buiten schot, de kern wordt vooralsnog niet aangetast. Tegelijk schuilt daarin ook een reden tot zorg: de diversiteit van het industriële apparaat is in het geding. Vergeleken met de grote EG-landen heeft het kleine Nederland niet al te veel industrie. Daarbij komt dat Nederland ook nog eens veel industrie van dezelfde soort heeft. Dat zou nog niet zo erg zijn als het maar de juiste industrie zou zijn. Hoe de agro- en procesindustrie zich in Nederland ook zullen ontwikkelen, industrieën van de toekomst zijn het niet.

Zeven industrietakken gelden internationaal als de sleutelindustrieën voor de komende decennia: micro-electronica, biotechnologie, nieuwe materialen, vliegtuigindustrie, telecommunicatie, robotica en machine-industrie, computers en software. Stuk voor stuk sectoren die in Nederland geen of slechts een uiterst wankele basis hebben. Het lot van micro-electronica hangt aan het lot van Philips. In de biotechnologie maakt Nederland met 200, vaak zeer kleine bedrijfjes, nog een kans, maar dat blijft gezien het vaak nog experimentele karakter van die bedrijfstak, afwachten. In nieuwe materialen scoort Nederland uitsluitend in de procesindustrie, in de metaalsector komt de speurtocht naar nieuwe bestanddelen niet van de grond. De vliegtuigindustrie hangt aan Fokker, telecommunicatie-hardware is het domein van buitenlanders als Ericsson, Alcatel en AT&T. Robots hebben we niet, machine-industrie is sterk gekoppeld aan de landbouw en voor het overige zo goed als afwezig. De computerindustrie bestaat uit een aan Digital overgedragen restje-Philips en een geavanceerde assemblage-onderneming (Tulip). Nederlandse software-bedrijven zijn in wezen dienstverleners die profiteren van de innovaties van anderen.

Nederland is dus goed in weinig en Nederland stelt weinig voor in wat goed is. Moeten we ons daar nu zorgen om maken? Moet Nederland met volle kracht vooruit een nieuw industrietijdperk aanzwengelen of moet Nederland zich neerleggen bij de gedachte dat de status van industriële grootmacht haar nu eenmaal niet gegund is, dat ze haar heil moet zoeken in wat te boek staat als haar traditionele kracht, de handel en dienstverlening?