Krijgsmacht houdt grote uitverkoop; Overbodige uitrusting en "legendarische wapens' in catalogus

De krijgsmacht ontdoet zich van overbodig geworden uitrusting. Een complete catalogus is aan potentiële afnemers aangeboden - "bonafide' wapenhandelaars, organisaties of landen. De oudste uitrustingsstukken dateren nog van voor de Tweede Wereldoorlog.

ROTTERDAM, 3 FEBR. De .50 Browning mitrailleur is onbetwist het wapen met langste staat van dienst uit de catalogus van Defensie. Vanaf 1929 zijn de .50's in omloop en sindsdien heeft de mitrailleur grote indruk gemaakt op 's werelds slagvelden. Canadese bevrijders, Hollandse kolonialen en Somalische warlords hadden en hebben hem op jeeps en vrachtwagens staan.

“Hij is nog overal in gebruik”, zegt M. Talens, die decennia lang geweermaker was bij de Koninklijke Landmacht. “Hij is namelijk zo goed: er is geen vervanger voor. Er zijn ook nog reservedelen voor te krijgen.” Jane's Infantry Weapons noemt de .50 “one of the most widespread and successful heavy machine guns in service”. Behalve tegen gronddoelen wordt de .50 ook wel tegen vliegtuigen ingezet.

De .50 is een van vele uitrustingsstukken die de Nederlandse krijgsmacht begin jaren vijftig in bruikleen kreeg van de Amerikanen in het kader van het Mutual Defence Assistence Program, een soort Marshallhulp op militair gebied. Wapens, munitie, wielvoertuigen, tanks; de Koude Oorlog was begonnen en de Westeuropese krijgsmachten moesten snel op peil worden gebracht. Voor Nederland betekende dit een geleidelijke omschakeling van Engelse op Amerikaanse wapens.

Een aanzienlijk deel van de wapens die Nederland toen kreeg, gaat nu in de verkoop. Naast de .50 zijn dat bijvoorbeeld de .30 luchtgekoelde en de .30 watergekoelde Browning mitrailleurs - de kleine broertjes van de .50 -, het M1 Garand geweer en de Winchester karabijn. Het zijn stuk voor stuk legendarische wapens. Allemaal waren ze al tijdens de Tweede Wereldoorlog in gebruik.

De beide .30's vervingen in de Nederlandse krijgsmacht de Britse Bren mitrailleur. Voor de .30 zijn geen onderdelen meer te krijgen, wat het wapen moeilijk verkoopbaar maakt. De Nederlandse krijgsmacht heeft de .30's tot halverwege de jaren zestig gebruikt. Toen zijn ze vervangen door de Mach. Er zijn vele duizenden van die mitrailleurs in gebruik geweest: elke infanteriegroep (negen man) had er bijvoorbeeld een.

Het M1-geweer, veelal Garand genoemd naar ontwerper John Garand, dateert ook al van voor de oorlog. In 1939 werd het wapen in produktie genomen. Aan het eind van de oorlog waren er al vier miljoen in gebruik. Uiteindelijk zijn er tot 1959, toen de produktie werd gestaakt, zo'n 5,5 miljoen gemaakt. Jane's Infantry Weapons noemt de M1 een mijlpaal in de ontwikkelng van kleine militaire wapens in deze eeuw, omdat het het eerste zelfladende geweer is dat in substantiële aantallen door een leger is gebruikt.

Het Korps Mariniers had in 1944 de Nederlandse primeur voor dit wapen. Ook het Nederlandse Korea-bataljon heeft ermee geschoten. Tot begin jaren zestig is het in gebruik geweest bij de parate troepen. Toen is het vervangen door de FAL. De geweren zijn naar de territoriale eenheden gegaan en liggen sindsdien in de mobilisatiecomplexen. De M1 wordt elders nog volop gebruikt. Talens: “Van de week zag ik op de televisie nog Italianen ermee op mafiosi-jacht. De Deense ceremoniële wacht loopt er nog altijd mee, de Amerikaanse vaandelwacht ook. Zelf kreeg ik hem in 1952. Het is een goed wapen. Als je hem goed schoonmaakt, weigert hij nooit.” Onderdelen zijn volgens hem niet meer leverbaar, en dat betekent dat je voor reparatie alleen gebruik kunt maken van een ander exemplaar. "Kannibaliseren' heet dat in geweermakersjargon.

De karabijn dateert van 1941 en was het wapen dat over het algemeen werd gehanteerd door militairen die geen directe gevechtsfunctie hadden, zoals monteurs. Ook officieren droegen wel een karabijn. Later is dit wapen langzamerhand vervangen door de Uzi pistoolmitrailleur, die nog steeds in gebruik is. Zowel de karabijn als het M1 geweer voldoet niet meer aan de huidige NAVO-eisen: er gaan te weinig patronen in (8 in de M1, 15 in de karabijn, de NAVO eist er nu tenminste 20), de nieuwe, kleinere munitie past er niet in en ze kunnen niet automatisch schieten, althans niet de versies die bij de Nederlandse krijgsmacht in gebruik waren.

De in bruikleen verstrekte wapens lagen al vele jaren in kisten en rekken opgeslagen in de mobilisatiecomplexen, toen in november 1989 - toevallig net de maand dat de val van de Muur de Koude Oorlog beëindigde - het eigendom formeel werd overgedragen aan de Nederlandse staat. Hoeveel Nederland daarvoor heeft betaald, wil men bij het ministerie van defensie niet onthullen. Er zou eens bekend kunnen worden dat Nederland stokoude, aanvankelijk geleende en later voor een vriendenprijs overgenomen wapens nu met winst probeert te verkopen.