Handelskrediet voor Oost-Europa in ruil voor milieutechnologie

Een belangrijk bezwaar tegen vrijhandel met Oost-Europa en het GOS is, dat deze handel waarschijnlijk verliesgevend is. Dat komt vooral doordat vrijhandel met lage-lonenlanden tot werkloosheid leidt in landen met een hogere levensstandaard, zoals West-Europa. De voorstanders van vrijhandel zien de kosten die daaruit voortvloeien als "pijnlijk maar tijdelijk'. Zij gaan ervan uit dat de ontslagen werknemers binnen bepaalde tijd wel nieuw werk zullen vinden met een hogere produktiviteit, zodat het mes aan twee kanten snijdt: het voordeel van goedkopere importen en het voordeel van een produktiever werknemersbestand. Dit idee, dat in 1817 werd bedacht door David Ricardo, gaat tegenwoordig niet meer onvoorwaardelijk op. De tijd dat de ontslagen werknemers zich zonder veel tijdverlies elders op de arbeidsmarkt produktiever konden inzetten, is voorbij.

Scholingsdrempels en een hoog onderhoudsloon verhinderen een produktievere inzet van een groeiend aantal werklozen. Het laaggeschoolde deel van de arbeidsmarkt is in heel West-Europa drooggevallen.

Een tweede bezwaar tegen vrijhandel met het voormalige Oostblok zijn de vervuilende produktietechnieken. De expansie die ontstaat als de EG haar grenzen op korte termijn openzet, is rampzalig voor het toch al zwaar verziekte milieu in die landen.

Op het ogenblik houdt West-Europa haar grenzen effectief gesloten voor de overdracht van schonere Westerse produktietechnologie. Dat komt doordat leveranties van deze technologie, naar vrijwel heel Oost-Europa en de GOS-republieken, onverzekerbaar zijn tegen betalingsrisico's. Dit type verzekering wordt aangeboden door Westerse (staats)-verzekeraars. In Nederland gebeurt dat door de Nederlandsche Credietverzekering Maatschappij NV (de NCM) en wereldwijd door de gezamenlijke leden van de Berner Unie. Voor leveranties met een politiek risico treedt de staat meestal als herverzekeraar op. De betalingsrisico's met Oost-Europa en het GOS zijn echter enorm en de verzekeringen zijn daardoor grotendeels opgeschort.

Het beleid van de NCM en de Staat der Nederlanden wijkt niet wezenlijk af van dat van de andere leden van de Berner Unie. Het grootste deel van het voormalige Oostblok kan dus niet alleen niet in Nederland terecht, maar nergens ter wereld.

Toch is het belang van deze verzekering moeilijk te overschatten. Landen die verzekerbaar zijn krijgen tien tot dertig jaar handelskrediet en kunnen hun toekomstige groei dus laten meebetalen aan de investeringen die daarvoor vandaag moeten worden gepleegd. Is een land verzekerbaar, dan is Westerse technologie slechts te koop tegen contante betaling in harde valuta. Omdat het om grote investeringen en om armlastige landen gaat, is contante betaling meestal een onoverkomenlijke drempel.

De richting die West-Europa nu inslaat is de slechtst denkbare: stukje bij beetje worden de grenzen geopend voor goedkope importen, maar voor de overdracht van Westerse technologie blijven ze dicht. Het kan daardoor niet anders of de expansie van Oost-Europa en de GOS-republieken is maximaal vervuilend.

Eén alternatief is, de grenzen zoveel mogelijk dicht te houden voor goedkope importen, maar ze te openen voor de overdracht van Westerse technologie door de verzekering - desnoods met verlies - te hervatten. Tegen de tijd dat Oost-Europa en het GOS schonere produktietechnieken en een hogere levensstandaard hebben, zouden de grenzen helemaal open kunnen. Dan worden ook de verzekeringsverliezen weer ingelopen.

Het tweede alternatief sluit misschien beter aan bij de pleitbezorgers van vrijhandel. De EG zou de goedkope importen kunnen toelaten, maar ze aan de grens kunnen treffen met milieuheffingen. De hoogte van de heffing is een politieke beslissing, waarin ook het dreigende verlies van werkgelegenheid een rol kan spelen. De opbrengst van de milieuheffing vloeit in de kassen van de (staats)verzekeraars, die daarmee de verzekering kunnen hervatten. Van elk bedrag dat de verzekeraars in kas hebben, kunnen ze een viervoud aan verzekeringen aanbieden. Het resultaat zou zijn dat Oost-Europa en het GOS zich voor een veelvoud van de belastingopbrengst aan Westerse technologie zouden kunnen veroorloven. Op die manier valt hun economische expansie misschien te koppelen aan een versnelde omschakeling naar schonere produktieprocessen.