Gong Li voorziet het Filmfestival van glamour

ROTTERDAM, 3 FEBR. "Ze is er!' kopte de Dagkrant van het 22ste Film Festival Rotterdam gisteren over de breedte van haar voorpagina. Behoefte aan glamour is ook een de alternatieve film toegedaan filmfestival niet vreemd, en de aankomst van de Chinese actrice Gong (achternaam) Li (voornaam) voorzag ruim in beroering. Gong Li bepaalde dan ook het gezicht van alle, ook in Nederland succesrijke, films van Zhang Yimou: Het rode korenveld, Ju Dou, Raise the Red Lantern en nu van The Story of Qiu Ju.

Tijdens een persconferentie waar ze charmant en zo summier mogelijk de vragen beantwoordde die haar duidelijk veel te direct van aard waren, verklaarde Gong Li dat ze aanvankelijk had willen afzien van de rol van Qui Ju. Ze had al zo vaak plattelandsvrouwen gespeeld en deze leek geen uitzondering. Pas toen Zhang het personage een zes maanden gevorderde zwangerschap had toebedacht, raakte ze geïnteresseerd. Gelukkig maar, want niemand had beter dan zij de eenvoudige vrouw gespeeld die zowel in haar dorp als in de grote stad de autoriteiten tot wanhoop drijft door halsstarrig voor haar rechten op te komen.

Meer dan de helft van het Film Festival Rotterdam is nu achter de rug, met een aanbod dat vaak op papier interessanter leek dan het in het theater bleek te zijn. Dat geldt voor de meeste islamitische komedies, afgezien van een enkeling als de veel publiek trekkende anarchistische gijzelaarsklucht Terrorism and Kebab. Het gaat bijvoorbeeld ook op voor het werk van de Amerikaanse onafhankelijke cineasten. Een film als River Bottom die Robert Leroy maakte over een op een droge rivierbedding levende groep dak- en havelozen, werd door de maker aangekondigd als te deprimerend voor de VS. Voor ons is hij allereerst te toneelmatig, te vlak, te rijk aan cliché's. The Contenders laat vooral zien dat de Duits-Amerikaanse Tobias Meinecke een studentikoos jongetje is en nog lang geen serieus te nemen cineast. Verward, infantiel maar de aardigste van dit stel is de film The Genius, waarin Joe Gibbons een "mad scientist' en een tegen het snobisme van de Newyorkse kunstgaleries opererende terroriste inbedt in een opvallend mengsel van film en video-materiaal. Tectonic Plates van Peter Mettler is Canadees, maar voelt aan als Amerikaans. Het is geen film, maar een geval van irritant epigonistisch avantgarde-theater.

Rosa von Praunheim, de als Holger Mischwitzky geboren Duitse filmer die sinds de jaren zestig met een stortvloed van films de westerse 'homo-scene' in kaart brengt, maakte daarentegen een even mooie als interessante film. Ich bin meine eigene Frau noemde hij zijn filmportret van de Oostduitse Lothar Berfeld alias Charlotte von Mahlsdorf, geboren in 1928. Lothar wist als tienjarige jongen dat hij liever in een rok en blouse rondliep dan in Lederhosen: ik ben een travestiet en 'so zu sagen meine eigene Frau', verklaart hij met zijn beschaafde, precieus formulerende stem die Praunheims film extra amusant maakt. Lothar is wat hij is en het kwam nooit bij hem op er een geheim van te maken. Niet tegenover zijn militant nationaalsocialistische vader, niet oog in oog met de Stasi, niet toen hij voor het eerst na de Wende en natuurlijk in keurig mantelpak een hogelijk gegeneerde grensbeamte passeerde. Onderdak bieden aan een trefpunt voor homoseksuelen lag altijd voor de hand, wat hem betreft. Hij had er toch de ruimte voor, in het vervallen paleisje waar hij sinds de jaren vijftig resideert als een berooide adellijke dame? Aan de hand van zijn ongelofelijke levensloop die beurtelings documentair en nagespeeld wordt opgeroepen, geeft Rosa von Praunheim een verbluffend en aanstekelijk beeld van de homobeweging onder de Nazi's en in de DDR. Een epiloog geldt het herenigde Duitsland, waar kortgeleden nog een troep skinheads de gasten van een tuinfeest van Charlotte in elkaar sloeg.