Geen rechtsgelijkheid in nieuwe WAO; Dat is geen volumebeleid maar een bewijs van bestuurlijke armoede

Volgens professor P. de Haan, adviseur van het CDA, dient de nieuwe WAO de rechtsgelijkheid en de rechtszekerheid, en zal ze tevens doeltreffend zijn (opiniepagina in NRC Handelsblad van 28 januari).

De vermeende rechtsgelijkheid bestaat eruit dat personen die thans reeds in de WAO (of ziektewet) zitten, op den duur niet het slachtoffer van de nieuwe wet zullen worden terwijl alle toekomstige zieken en vervolgens arbeidsongeschikten wel het slachtoffer zullen zijn. Wie daarin enige rechtsgelijkheid kan zien, moge de eerste steen naar mij werpen. De emeritus-hoogleraar moet begrijpen dat, analoog redenerend, het verlagen van de AOW tot dertig procent van het minimumloon voor wie thans nog geen 65 is, onder het mom dat individueel of collectief bijverzekeren toch mogelijk is, nimmer een overtuigende redenering inzake rechtsgelijkheid kan opleveren.

Eenvoudshalve wordt uitgegaan van een zogenaamd inverdieneffect omdat op den duur dankzij de uitstroom van oude WAO'ers de eigenlijke WAO-premie zal kunnen worden verlaagd. Helaas is dit een kortzichtige redenering.

Immers, de instroom van nieuwe privé-WAO'ers zal groot blijven zodat de premies voor deze verzekering zullen stijgen. Deze boekhoudkundige wijziging die werkgevers en werknemers geld kost, heeft slechts één schijnbaar positief effect: de centrale overheid zal op den duur erop kunnen wijzen dat het aandeel van de collectieve lasten is gedaald. Dit effect zou ook op slag kunnen worden bereikt door de bedrijfsverenigingen te privatiseren en vervolgens de WAO-premie als particuliere verzekeringspremies aan te merken. Dit effect is echter slechts kosmetisch: de bruto-loonkosten worden niet lager en de netto lonen niet hoger.

Op de beweerde rechtszekerheid komt De Haan in het geheel niet terug. Een cynicus zou kunnen beweren dat na een tijd van grote onduidelijkheid en half verborgen onderhandelen iedere wet in elk geval enige zekerheid biedt. Om dat vervolgens met rechtmatigheid te verbinden lijkt mij een bestuursrechtelijke trouvaille.

De tragiek voor de Partij van de Arbeid is dat deze partij zich aan het selectiemechanisme van kapitalistisch georganiseerde ondernemingen, de verzekeringsmaatschappijen onderwerpt, in de hoop tot een beteugeling van de instroom te komen. Dat is geen volumebeleid maar een bewijs van bestuurlijke armoede. Bovendien is het een kortzichtige gedachte. Opmerkingen als die van De Haan dat particuliere verzekeraars en de sociale partners in verband met de premiedruk de instroom onder controle zullen houden, zijn naïef of louter een ideologische legitimering van het beleid. De gezondheidszorg en de recente problemen van Simons laten zien dat particuliere verzekeringsmaatschappijen op macro-niveau geen enkel belang in de beteugeling van de kosten hebben, zolang het winstpercentage voor de onderneming is veiliggesteld. En waarom zouden de sociale partners in de toekomst wel slagen waar zij nu falen? Er is dus geen steekhoudend argument voor de gepretendeerde doeltreffendheid.

Het enige doeltreffend volumebeleid bestaat uit vier pijlers: het verbeteren van de arbeidsomstandigheden, het tegengaan van fraude bij werkgevers en werknemers, het strenger keuren en herkeuren door artsen van de bedrijfsverenigingen en het actiever begeleiden van arbeidsongeschikten bij de herintreding. Daarvoor hoeft de WAO (en de WAGW) niet te worden gewijzigd. De wet behoeft alleen te worden toegepast. Helaas stuit dat kennelijk op bestuurlijke onmacht of electorale onwil.