Fiscale pelgrimstocht

De kerkvader Thomas van Aquino rangschikte belastingheffing onder de vormen van roof. Niettemin bevindt de belastingheffer zich niet in een staat van zonde als hij maar heft volgens de eisen van rechtvaardigheid, rechtsgelijkheid en voor de instandhouding van het algemeen welzijn. De canonieke rechtsgeleerde was zijn tijd ver vooruit. Pas met de Franse revolutie kwam een heffing overeenkomstig Aquino's idealen in zicht.

Vorige week dinsdag deed prof. dr. F.H.M. Grapperhaus de eeuwen durende worsteling in de richting van een rechtvaardige belastingheffing uit de doeken. Dit gebeurde in de rede waarmee hij aan de Leidse universiteit de leerstoel in de geschiedenis van het belastingrecht aanvaardde. Grapperhaus was van 1967 tot 1971 als staatssecretaris politiek verantwoordelijk voor de belastingheffing. Hij kwalificeert ons huidige stelsel als een intellectueel hoogstandje, maar niet als een bruikbaar systeem. Als weinig anderen weet Grapperhaus uit welke onderkrochten ons belastingsysteem zich omhoog heeft geworsteld. In zijn woorden "een pelgrimstocht naar het draagkrachtbeginsel".

Als we die tocht aan het begin van onze jaartelling laten aanvangen, zien we hoe de Romeinse burgers het genoegen smaakten te leven zonder persoonlijke belastingen. Oorlogen werden gefinancierd door roof ter plaatse. In het latere germaanse systeem moesten kleinere en grotere heersers het hebben van giften van hun onderdanen. Die konden zich overigens niet aan hun vrijgevigheid onttrekken, maar mochten wel zelf bepalen hoeveel zij afdroegen. Uit die giften zouden zich persoonlijke belastingen ontwikkelen. Die vloeiden ook voort uit de plicht de landsheer bij te staan in moeilijke tijden; oorspronkelijk met mankracht, later met goederen en ten slotte met geld. Aanvankelijk ging het om incidentele bijdragen.

Met de groei van de welvaart, het handelsverkeer en de overheidsorganisatie kwam er meer regelmaat in de heffing. Het aangrijpingspunt was doorgaans het vermogen van de burgers. Een rechtvaardiger maatstaf als inkomen of winst was tot in de vorige eeuw veel te hoog gegrepen. Met de nieuwe belastingen kwamen tegelijk de ontwijkingsmanoeuvres. De meest succesvolle leidden tot algehele vrijstelling. Wie daar naast greep, kon dikwijls profiteren van afkoopmogelijkheden. Voor de gewone man was zo'n afkoopsom een astronomisch bedrag maar de rijken draaiden er hun hand niet voor om.

Daarmee zitten we middenin een door Grapperhaus gesignaleerd probleem. Door de eeuwen heen is het geen fiscus gelukt de rijken overeenkomstig hun draagkracht te laten betalen. Dat wil zeggen naar een iets hoger percentage dan werd geëist van de minder bedeelden. Een complicatie vormde het systeem van verpachting van belastingen. Belastingpachters waren niet alleen corrupt, maar voor de overheid bovendien erg kostbaar. De helft van het belastinggeld bleef aan hun strijkstok hangen. Tegenwoordig kost de belastingdienst ons slechts enkele procenten van de opbrengst.

De Franse Revolutie maakte een eind aan zowel het pachtsysteem als aan de belastingprivileges. Zij faalde evenwel bij het doorvoeren van de draagkrachtidealen. Het bleef onhaalbaar de rijke koopmansstand belasting te laten betalen overeenkomstig de grote winsten die zij behaalde. Zeker, aan wetsartikelen, strafdreigingen en stoere taal van de overheid heeft het nooit ontbroken. Maar met zijn onvermogen volstrekt sluitende wetten te maken, heeft de wetgever het altijd moeten afleggen tegen de creativiteit van de rijken en hun adviseurs.

Daar komt bij dat het geldelijk belang van het land bij het daadwerkelijk zwaar belasten van de hoge inkomens vrij gering is. Vandaag de dag brengt een procent van het basistarief van de inkomstenbelasting vijftien keer zo veel op als een procent van het toptarief. Het economisch belang van de activiteiten van de zakelijk succesvolle burgers is door alle tijden heen wel groot geweest. In de na-oorlogse jaren verwezenlijkten de socialisten een ideaal door voor de rijksten hoge tarieven (tot 70 procent) te hanteren. De wet bood evenwel nog voldoende sluipwegen om aan dit draconische tarief te ontkomen. Vooral onder de bewindsperiode van de liberale staatssecretaris Koning werden de mazen in de wet stuk voor stuk gedicht. Toch is er nog steeds geen heffing naar draagkracht.

De Maastrichtse hoogleraar en PvdA-Kamerlid Vermeend becijferde onlangs de druk van de inkomstenbelasting en de premieheffing op ongeveer 50 procent voor arm zo goed als voor rijk. Vele rijken evenwel ervaren deze druk toch als te knellend en verhuizen naar België of ze verplaatsen een deel van hun vermogen naar Zwitserland of Luxemburg. We zien hoe de overheid hierop reageert zoals overheden al eeuwenlang hebben gedaan: er komen fiscale faciliteiten om de rijken en hun economische inbreng in het land te houden. Dit overigens mede op aandrang van de socialisten. De macht van het geld is van alle tijden; de pelgrimstocht naar het draagkrachtbeginsel duurt tot sint-juttemis.