Duister

Op een avond, tegen elven, liepen we nog even naar het dorp. Ancretteville-sur-Mer. Geen spoor van leven. Zelfs geen uil op het kerkhof. En zoals we eerder de cider en de camembert hadden geprezen, prezen we nu de stilte en het donker.

De volgende avond was het zo donker dat ik mijn hond kwijtraakte. Er stond een bulderende storm met regenvlagen. Toch moesten we naar buiten, dat heb je als je een hond hebt.

De tuin uit, het erf af, het weggetje op. Wat je nog net kon onderscheiden: plassen op het asfalt, bomen tegen de lucht. Ik boog mij voor de wind en riep en floot mijn hond. Hij heeft een witte bef, meestal zie je hem wel. Nu niet. Had er een ijsbeer op de weg gestaan, ik was hem recht in de armen gelopen. Ik keek in de rondte. Ik stak mijn hand uit. Hij kon er zijn, hij kon er niet zijn, ik kon het niet vaststellen.

In laatste instantie besloot ik gebruik te maken van mijn kleine zaklantaarn. De hond heeft een hekel aan zaklantaarns. Hij ziet er bliksem in.

Ik scheen om mij heen en niets dan duisternis en leegte.

Was ik bang? Natuurlijk was ik niet bang. Maakte ik mij zorgen? Natuurlijk maakte ik mij geen zorgen. Ik begon terug te lopen, het erf op, de tuin in.

Hij zat bij de voordeur en keek met belangstelling naar me op. Nog iets bijzonders baas?