Doorzakken met DAF

KNARSEND EN SCHOKKEND is DAF tot stilstand gekomen. De vrachtwagenfabrikant met vestigingen in Nederland, Engeland en Vlaanderen heeft uitstel van betaling aangevraagd om de schuldeisers buiten de deur te houden. Een noodkrediet en een reddingsplan waren stukgelopen op de eisen van de financiers. Daarmee komt een einde aan een nationale traditie en is de vraag naar een Nederlands industriebeleid opnieuw actueel.

Van Doorne's Aanhangwagenfabriek begon in 1932. De vrachtwagens waren een succes en in 1960 rolde de eerste Daffodil van de band in Eindhoven. Nederland had zijn eigen autogezicht met variomatic. Maar in 1974 werd het nationale autootje overgedaan aan Volvo. Vele reorganisaties later nam Mitsubishi het restant over, in Born staat nu een schroevedraaierfabriek voor Japanse auto's. Orders voor trucks van het leger zijn ook niet meer te verwachten nu Defensie inkrimpt.

DE SURSÉANCE van DAF is symptomatisch voor de Nederlandse en de internationale crisis. Wereldwijd worden teveel auto's, vrachtauto's, staal, vliegtuigen en andere hardwaar geproduceerd. De grote industrielanden - Amerika, Japan en Duitsland - hebben met aanzienlijke overproduktie te kampen. Zolang de internationale economie stagneert, zich geen nieuwe kredietwaardige afzetmarkten aandienen maar wel nieuwe goedkope producenten, is een langdurig saneringsproces in de industriële kern van de Westerse bedrijvigheid onvermijdelijk.

Voor Nederland komt daar een schaalprobleem bij. Nederlandse bedrijven zoals Fokker, DAF, Hoogovens, NedCar of, in een aangrenzende branche, KLM, gedijen als nationale trots zolang de markt meezit, maar zijn te klein om zelfstandig een periode van laagconjunctuur te overbruggen. Ze missen de verwevenheid met financiers of de defensie-orders die grotere concurrenten elders in moeilijke tijden overeindhouden. Bovendien is industriebeleid in Nederland een besmet begrip gebleven sinds de mislukte pogingen van de jaren zeventig om met geld verouderde industrietakken ten behoeve van de werkgelegenheid op de been te houden.

NEDERLAND HEEFT gekozen voor welwillende verwaarlozing van zijn industrie. Een tijd lang bestond de overtuiging dat de nationale economie heel goed kon rusten op distributie, dienstverlening en sociale zekerheid. Hoogwaardige industrie met toekomsttechnologie is hier minder prominent dan de agro-industrie. Internationaal gezien is de Nederlandse industrie goed in weinig en stelt ze weinig voor in wat goed is. De stroomversnelling van industriële tegenslagen vanaf 1990, toen de crisis bij Philips wereldkundig werd, heeft hooguit een rimpeling in het politieke denken over industriebeleid gebracht. Minister Andriessen (economische zaken) heeft een industriefonds van uiteindelijk 880 miljoen gulden opgezet met inbreng van de overheid en van banken. Nederland zit op een rentenierskapitaal van 600 miljard gulden, ondergebracht bij pensioenfondsen en verzekeraars, dat wordt belegd in staatsleningen. In de sociale zekerheid wordt jaarlijks een bedrag rondgepompt van bijna 150 miljard gulden.

INDUSTRIEBELEID in een open economie betekent dat de markt aantrekkelijk moet zijn voor investeringen. Nederland hoeft het eigendom niet te behouden van gevestigde bedrijfsnamen om toch een scheppende industrie binnen de dijken te behouden. Dat vraagt om een hoogwaardige infrastructuur en onderwijs, daarvoor is een flexibele verzorgingsstaat even belangrijk als een subsidiepotje voor innovatieve technologie of een effectieve lobby in Brussel. Nu stroomt het geld naar mensen die buiten het werk worden gehouden en niet naar marktprikkels voor de schepping van werkgelegenheid.

Voor DAF komt een ommekeer te laat. Het onvermogen om drie overheden en een bankenconsortium op één lijn te krijgen bij het reddingsplan is tekenend voor de Europese spraakverwarring als het om strategische beslissingen gaat. De bewindvoerders moeten de verliesgevende onderdelen van DAF afstoten en de levensvatbare activiteiten onder brengen in een internationaal concern. Andriessen spreekt liever van een doorzak-constructie dan van een sterfhuis, maar die semantiek verhult niet dat de sanering wordt overgelaten aan de markt. Dat is gezond en in voorkomende gevallen onvermijdelijk, maar het heeft met industriebeleid niets te maken.