Advies: HBO moet meer studierichtingen durven afschaffen

AMSTERDAM, 3 FEBR. Hogescholen moeten studierichtingen durven opheffen. Als zij een discussie daarover uit de weg gaan valt te vrezen dat de dynamiek van de vernieuwing in het het HBO in chaos zal eindigen. Om de dynamiek in het hoger onderwijs te behouden zou het ook mogelijk moeten worden dat enkele hogescholen zich binnen vijf jaar ontwikkelen tot universiteiten en sommige universiteiten tot hogeschool.

Dit is de rode draad van het rapport Het aangeharkte HBO, dat vanmiddag is gepresenteerd tijdens een gelijknamig symposium ter gelegenheid van de opening van de Hogeschool van Amsterdam. Deze is ontstaan uit een fusie tussen de Algemene Hogeschool van Amsterdam en de Hogeschool van Amsterdam. In het rapport worden geen concrete voorstellen gedaan voor het opheffen van studierichtingen.

Vooral in het hoger economisch onderwijs is het aantal studierichtingen meer dan verdubbeld, van 12 in 1986 naar 28 dit jaar. Binnen het hoger kunstonderwijs werd het aanbod uitgebreid van 25 naar 40 studierichtingen. De nieuwe Hogeschool van Amsterdam biedt de 17.000 ingeschreven studenten studenten de mogelijkheid te kiezen uit in totaal 60 studierichtingen.

De studierichtingen bieden op hun beurt weer een scala aan afstudeerrichtingen. In het hoger economisch onderwijs zijn in de afgelopen jaren 36 afstudeerrichtingen ontstaan. Volgens de opstellers van het rapport doet deze ontwikkeling zich niet alleen voor in de economische sector. De technische sector van de Hogeschool Utrecht laat eveneens een rijk geschakeerd aanbod aan afstudeerrichtingen zien. Telde de studierichting elektrotechniek in het studiejaar 1986/1987 nog slechts twee afstudeerrichtingen, nu zijn dat er 5.

Volgens de voorzitter van het College van Bestuur van de Hogeschool van Amsterdam, drs. S. Korteweg, is de doorgaande vernieuwing binnen het HBO een reactie op verzoeken van de kant van werkgevers en beroepsverenigingen. Tegelijkertijd wordt van die kant geklaagd over de ondoorzichtigheid van het onderwijsaanbod van het HBO. Vraag en aanbod blijken niet altijd goed op elkaar te zijn afgesteld. Zo hebben grote bedrijven vooral behoefte aan breed inzetbare werknemers, terwijl het midden- en kleinbedrijf juist specifiek opgeleide mensen wil.

Uit het rapport blijkt dat nieuwe programma's zich vooral richten op vernieuwingen in de produktiestructuur. Accenten verschuiven van de overheid naar het bedrijfsleven en van de nationale naar de Europese context. Ook sinds kort bestaande beroepsactiviteiten leiden tot nieuwe programma's, zoals "informatiekunde in de gezondheidszorg' en 'agrarische accountancy'. “De heroriëntatie in het hbo weerspiegelt een omslag in de economie. Er wordt meer belang gehecht aan het management van organisaties en tenslotte dwingen ontwikkelingen in de informatietechnologie velerlei innovaties af”, aldus het rapport.

Volgens de opstellers, onder wie de Amsterdamse hoogleraar onderwijskunde prof. A. van Wieringen, is de groei van het aantal studenten eveneens een belangrijke factor in het differentiatieproces binnen de HBO-opleidingen. Die groei maakte een grote mate van verscheidenheid niet alleen mogelijk omdat er voldoende studenten zijn voor een minimale omvang per studie/afstudeerrichtng, maar ook noodzakelijk “omdat de verscheidenheid binnen de groep studenten minder goed opgevangen kan worden binnen de bandbreedte van de bestaande opleidingen”. Het aantal HBO-studenten, voltijds en in deeltijd, steeg van 215.000 midden jaren tachtig tot bijna 260.000 op dit moment.

Ook het feit dat de instellingen meer autonomie hebben gekregen heeft ertoe geleid dat studenten kunnen kiezen uit een keur van studierichtingen. “Schaalvergroting en kruisbestuiving hebben het proces versterkt waardoor bijvoorbeeld studierichtingen konden ontstaan als technische bedrijfskunde en maritieme bedrijfsvoering”.