Vernedering in het park

“Als ik met volle kracht had geslagen, dan had hij hier niet gezeten”, zegt Maarten Woldringa tegen de Arnhemse politierechter, mr. B. van der Pol. Woldringa geeft met zijn hoofd een achterwaarts knikje naar de publieke tribune, waar een blozende jongen van een jaar of achttien zit.

“U vindt uzelf een hele mannetjesputter, hè?” zegt de rechter.

Woldringa haalt zijn forse schouders op. Hij loopt tegen de veertig, een krachtig gebouwde man in een leren jek en met het stekeltjeshaar waar dergelijke vechtersbazen vaker verzot op zijn. De rechter houdt niet van hem, en laat dat in zijn vragen duidelijk merken.

Het verwarrende is dat Woldringa op het eerste gezicht voor een goede zaak leek te strijden. Anderhalf jaar lang, tot september 1991, veroorzaakte een grote groep Arnhemse jongeren veel overlast in de buurt van enkele flatgebouwen. Bewoners klaagden tegen de plaatselijke pers over aanhoudende pesterijen: bierflessen en frites werden op de grond gesmeten, brommers maakten tot ver na middernacht lawaai, er werd tegen ramen en muren geschopt, en oudere bewoners werden soms verrast door een touw, strak gespannen voor hun deur, waarover zij een pronte duikeling mochten maken.

Uiteraard werd de politie ingeschakeld, maar dat leverde weinig op. Ook de Arnhemse politie had het kennelijk zó druk met het roepen dat ze te weinig mankracht had dat er nooit voldoende mankracht was om wat oudere Arhemmers een normale nachtrust te garanderen. De spanning in de buurt steeg tot het kookpunt.

Toen verscheen Maarten Woldringa op het toneel. Misschien had hij een paar Rambo-films te veel gezien, misschien had hij altijd al een zwak gehad voor spontane molestatie, hoe het ook zij, Woldringa begon erop los te slaan. Ooit was hij portier van een disco geweest, dus met een béétje goede wil zou je nog kunnen beweren dat hij alleen maar zijn oude vak een eer wilde bewijzen.

Bovendien had hij een pracht van een motief: zijn oude, zieke moeder woonde in een van die flats. Niet dat hij tevoren zoveel belangstelling had getoond voor haar lot. Op een vraag van de rechter moet hij toegeven dat hij haar al lang niet meer bezocht had. Maar op de bewuste dag, 25 september 1991, had hij voor het eerst gehoord dat die Arnhemse rotjongens al geruime tijd de buurt verpestten.

Woldringa toog op onderzoek. Vanuit zijn auto zag hij jongens donderjagen onder het raam van zijn moeder. Hij stapte er op af en deelde enkele dreunen uit, waar de jongens niet van terug hadden. “Ik had eerst gevraagd of ze weg wilden gaan”, zegt hij tegen de rechter. “Maar ze gingen om me heen staan en ik voelde me bedreigd.”

Het werd donker. Woldringa zag vanuit de flat van zijn moeder hoe zich aan de overzijde, in het park, een groep van acht jongens verzamelde. Hij trok zijn jasje aan en ging er op af.

“U voelde zich eerst door drie man bedreigd, en vervolgens gaat u op acht man af?” vraagt de rechter.

“Ik moest weg en ik was bang dat ze mijn moeder zouden gaan lastig vallen.”

Toen Woldringa het park betrad, kreeg hij opeens gezelschap van een minstens zo fors gebouwd heerschap dat we in het vervolg als meneer X. moeten aanduiden. Zijn identiteit is onbekend. Volgens de slachtoffers waren meneer X. en Woldringa goede bekenden van elkaar, maar Woldringa heeft later stug volgehouden dat hij de man niet kende.

Deze meneer X. neemt het voortouw bij het aftuigen van die jongens die zich nog niet uit de voeten hebben gemaakt. Het gaat er zéér rauw toe. Een van de jongens, Michel Koolaarts - de blozende jongen in de rechtszaal -, wordt door meneer X. op de knieën gedwongen. Zó drijft hij hem dwars door het park voort naar de flats waar hij zijn excuses moet aanbieden aan een kennis van Woldringa. Woldringa loopt voorop. Maar deze kampbeulachtige vernedering loopt voor de heren op een teleurstelling uit. De kennis monstert de jongen en zegt: “Maar die heb ik nog nooit gezien!”

“Vervelend dat die man hem niet herkende”, sneert de rechter.

“Hij was het wèl”, zegt Woldringa nors. “Hij had die avond bij mijn moeder tegen het raam staan trappen.”

“U vindt dat u het recht heeft om geweld toe te passen?”

“Ik bescherm mijn moeder. Als de politie het niet kan, moet je het zelf oplossen.”

De gedupeerde jongen eist een schadevergoeding van 400 gulden. “Ik ben fout geweest”, zegt Woldringa, “maar aan zulke jongens betaal ik geen schade.”

“U maakt de dingen zelf uit, hè?” bijt de rechter. “U heeft bij deze jongens vergolden wat voor anderen geldt. Dat is het gevaar van eigenrichting: dat u de verkeerde pakt.” Dan vraagt hij: “Wat doet u voor de kost?”

“Ik ben zelfstandig ondernemer.”

“Wat precies?”

“Dat wil ik er verder buiten laten.”

“Hoe is uw financiële positie?”

“Dat hoef ik in een zaal vol mensen toch niet uit te leggen?”

“Nee, dat hoeft ook niet.”

De officier van justitie, mevrouw mr. J. Brughuis, herinnert eraan dat er tegen Woldringa nog een voorwaardelijke straf van drie maanden loopt wegens overtreding van de vuurwapenwet. Zij eist nu een gevangenisstraf van vier weken waarvan twee voorwaardelijk. Plus een schadevergoeding van bijna 400 gulden aan Michel Koolaarts. “Ik kan er geen begrip voor opbrengen”, zegt ze. “Er werd in dat park een groepje gepakt dat daar toevallig stond. Uit niets is gebleken dat die jongens daar stonden te provoceren. De mensen gaan steeds meer eigen rechter spelen.”

De advocaat, mr. A. Volbeda, probeert zijn cliënt een heldenrol toe te dichten. “Hij heeft escalatie in die buurt voorkomen. Ik heb de wijkagent gebeld en die zegt dat die jongens sindsdien nooit meer de buurt hebben geterroriseerd. Ik geef toe dat die andere man afschuwelijke dingen heeft gedaan, maar daar is mijn cliënt niet voor verantwoordelijk. Ik begrijp ook niet dat mijn cliënt zich niet bedreigd mag voelen als hij tegenover een grotere groep staat.”

De rechter is het met hem oneens. Hij volgt volledig de eis van de officier. “Ik vind het buiten proporties wat er gebeurd is”, zegt hij tegen de verdachte. “U heeft met een ander openlijk geweld gepleegd. De beschuldiging betreft het gebeuren in het park. U werd daar niet bedreigd en dus bent u verantwoordelijk voor het geweld. En u geeft nu met uw houding aan dat het vanavond weer kan gebeuren.”

De namen van de verdachten en getuigen in deze rubriek zijn om redenen van privacy gefingeerd.