Trouw: een krant zonder obsessie met middelmatige kunst

Laat ik met God beginnen. “Zijn naam worde geheiligd”, maar er is geen woord dat in het kamp van de verlichte agnosten zoveel jeuk veroorzaakt als het woord "God'. Laat ik daarom maar met Heldring beginnen.

In zijn rubriek "Dezer dagen' van 19 januari schreef J.L. Heldring: “Ongeveer twee weken geleden stond er een bericht in de krant dat velen moet hebben onthutst”. Het bericht luidde: de Evangelische Omroep (EO) is de NCRV in ledental voorbijgestreefd (zie ook de column van J.L. Heldring op de pagina hiernaast; red.). Waarom is dit bericht zo onthutsend? vraagt Heldring zich af. “Althans voor diegenen die dachten dat de NCRV al zo'n truttige omroep is. Welnu, de EO is in hun ogen nog tienmaal truttiger. Die werd door de spraakmakende gemeente niet serieus genomen: de omroep van een groepje conservatieve, achterlijke landgenoten.” Deze gemeente denkt ook dat de EO hetzelfde is als de zwarte-kousenkerken. Maar dat getuigt, aldus Heldring, van onwetendheid, want die zwarte kousen kijken helemaal niet naar de televisie. “Het is die onwetendheid, die hooghartige onverschilligheid van de toonaangevende elites in Nederland - of ze nu liberaal dan wel sociaal-democraat zijn - die verontrustend is.”

Een oordeel over EO en NCRV zal ik niet vellen, want ik kijk ook niet - daarin lijk ik op een zwarte kous - maar de afgelopen weken heb ik, nadrukkelijker dan anders, iets kunnen merken van die onwetendheid en onverschilligheid, nu bij gelegenheid van het vijftigjarig jubileum van dagblad Trouw - zaterdag 30 januari - enkele karakteristieken verschenen in de media.

NRC Handelsblad publiceerde 23 januari een keurig oppervlakkig artikel, waarin stond dat Trouw zich heeft ontwikkeld van een clubblad voor gereformeerden tot een betrokken krant die een geschakeerde lezersschaar bedient. “Maar de christelijke inslag is gebleven.”

Wat is dat dan, die "christelijke inslag'? Is daar niets meer van te zeggen dan dat "het traditionele christendom is verbleekt, maar dat mensen zich nog altijd vragen stellen die verder reiken dan het aardse bestaan'?

Er stond een prachtige foto bij: door een raam gluren we in een huiskamer; de ruit weerspiegelt een winters landschap met kale bomen, maar binnen is het warm, de amaryllissen staan in volle bloei op de vensterbank, de theekopjes liggen gedrieën in het dressoir, de stoelen zijn van een andere sociologie dan de spraakmakende gemeente, en daar, temidden van kale bomen en bloeiende amaryllissen: Vader leest Trouw en moeder zit een sok te breien.

De afgelopen maanden stonden er artikelen van Vaclav Havel, Günter Grass, Mario Vargas Llosa en Saul Bellow in Trouw, maar moeder zit een sok te breien.

De Groene Amsterdammer van 20 januari, bij monde van Martin van Amerongen, besteedt ruime aandacht aan de jarige. Het artikel gaat van de ene grap naar de andere, het is lachen, gieren en brullen: “Chr. School voor Voorbereidend Onderwijs De Wegwijzer”, “een tribune voor de dorpse meningen van de tweede hulpsecretaris van de Bouwbond CNV”, “de hoofdredacteur is dominee”.

Jan Greven, de hoofdredacteur, heeft inderdaad theologie gestudeerd, maar dat had hij natuurlijk niet moeten doen. Een theoloog is nog geen dominee, daarvoor moet je beroepen worden door een gemeente, maar flierefluit Van Amerongen heeft het natuurlijk "overdrachtelijk' bedoeld.

De afgelopen jaren stonden er in Trouw honderden artikelen over filosofie en religie, over moraal en spiritualiteit, een aardige kluif voor een weekblad dat zich "de dichter en denker onder de weekbladen' noemt.

We leven in een christelijk-joodse cultuur en we weten het. Maar door verschijnselen als ontkerkelijking, ontzuiling en secularisatie vergeten we dat soms. Dat vergeten wordt versterkt door de tendens het begrip cultuur te beperken tot het domein van de schone kunsten. Dat vergeten wordt nog verder versterkt door een primitief godsidee. Onze agnostenclub, "de spraakmakende gemeente' vormt zich een beeld. Tegen het tweede gebod in - "Gij zult u geen godenbeeld maken, noch enig beeld van wat in de hemel is daarboven, op de aarde beneden, of in het water onder de aarde' - vormt de gemeente zich een beeld, namelijk het beeld van een almachtige vaderfiguur, zo'n Baardaap Daarboven, gehuld in een witte wijde jurk, die de boel ringeloort. En vervolgens weten ze daar niets mee te beginnen. De therapeut heeft hun gelukkig geleerd dat die baardaap een projectie is die ze in zichzelf moeten terugnemen: baard eraf, gladde kin, en niet de deur uit zonder een geurwatertje.

Onze agnostenclub denkt niet alleen dat God dood is, ze denkt ook dat de kunst opvolger kan zijn van de godsdienst. Salman Rushdie stelde in zijn rede "Is er dan niets meer heilig?' dat het de taak van de kunst is om “in een ongodsdienstige, materialistische cultuur een vervanging te vormen voor wat de liefde van god betekent in de wereld van het geloof”.

De historicus Johan Huizinga heeft eens een onverbiddelijk oordeel over deze kwestie geveld. In zijn boek "In de schaduwen van morgen' (1935) schrijft hij over de grondvoorwaarden van cultuur. Volgens Huizinga vereist cultuur in de eerste plaats een zeker evenwicht van geestelijke en stoffelijke waarden. Met geestelijke waarden bedoelt hij het spirituele, het intellectuele, het morele en het esthetische. “De algemene kwalificatie als hoge of lage cultuur schijnt tenslotte in de diepste grond bepaald te worden niet door de intellectuele, noch door de esthetische graadmeter, maar door de ethische en de spirituele. Een cultuur kan hoog heten, al brengt zij geen techniek of geen beeldhouwkunst voort, maar niet, als zij de barmhartigheid mist.”

Het is een oordeel dat al diegenen die de cultuur zien als de grote kermis der kunsten, zich kunnen aantrekken.

Ik wil niet beweren dat Trouw in alle opzichten aan de "graadmeters' van Huizinga voldoet en daarmee de beste krant van Nederland is. Maar ik kan dat ook niet zeggen van NRC Handelsblad, de Volkskrant of Het Parool. Deze drie kranten overschatten de kunst en minachten de religie.

Bij de Volkskrant is die minachting inmiddels zo ver gevorderd dat er, temidden van (dertien) kunstredacteuren, plus vele medewerkers, nog één redacteur rondloopt met het flexibele takenpakket: geestelijk leven en minderheden. Hoe lastig dat kan zijn met slechts een halve paardekop voor "geestelijk leven' - een omschrijving die bij de Volkskrant het jaar 2000 wel niet zal halen - kan geïllustreerd worden aan een klein feit uit de wereldgeschiedenis. Toen de schrijver Vaclav Havel in 1989 plotseling tot president van een democratisch Tsjechoslowakije werd benoemd, rende hij naar de kerk en sloeg een kruis, een gebaar dat de agnosten, die Havel zo graag omarmen, liever niet zien. En daarna nodigde hij meteen twee geestelijke leiders uit, de paus en de Dalai Lama. Een uitnodiging die de agnosten beschouwen als hogere politiek, los van zijn schrijverij. Het geluk is met de paardekoppen: nu Havel tot president van de Tsjechische Republiek is benoemd, heeft hij dit kunststukje niet herhaald.

Het imago van Trouw wordt voor buitenstaanders vaak bepaald door de aanwezigheid van een kerkpagina. Ik moet zeggen dat ik niet elk kerkelijk nieuws even interessant vind, maar dat vind ik al het economische nieuws ook niet en het politiek nieuws ook niet. Evenmin vind ik die eindeloze rij filmrecensies allemaal even genoeglijk of dat ellenlange interview met een niksige schrijver, al die exuberante aandacht voor middelmatige kunst. Ik vind het niet vreemd dat Trouw kerkelijk nieuws brengt, zeker niet als je bedenkt dat in grote delen van grote continenten de secularisatie nog niet erg gevorderd is. Ik vind het - omgekeerd - vreemd dat andere kranten zo hooghartig zijn als Havel naar de kerk rent om een kruis te slaan.

Aan de vraag naar de kerkpagina zit meteen gekoppeld de vraag: is Trouw een christelijke krant? Niet zelden wordt het adjectief christelijk geassocieerd met saai, degelijk en conservatief. Moeder breit een sok. Braaf en bangelijk, zoals Van Amerongen zegt.

Is Trouw een christelijke krant? Dat is de hamvraag van de heidenen. Er moet kort en bondig geantwoord worden, het liefst met ja of nee. Orthodox of modern moet het zijn, duidelijkheid graag, en niet van dat halfslachtige.

In een interview in NRC Handelsblad van 16 oktober zei Max Pam tegen Harry Mulisch dat het einde van zijn boek "De ontdekking van de hemel' een tikje moralistisch is. Mulisch: “Een tikje moralistisch? Ontzaglijk moralistisch! Ik ben ook niet bang voor het woord moraal. Moraal is toch niet iets negatiefs? En dan heb ik het niet over de burgerlijke gedragsregels, maar over het voorschrift dat je iemand niet mag doodslaan.” Het lijkt me een uitstekend antwoord.

Nergens dient de kwestie van de kunst en de religie zich zo sterk aan als bij het afscheid. De vraag of kunst inderdaad de godsdienst kan vervangen, zoals Rushdie meent, kan niet onbeantwoord blijven op het moment dat we onze doden begraven.

Het afgelopen jaar ben ik twee keer naar een begrafenis geweest en twee keer heb ik afscheid moeten nemen in een soortement aula. Er werd gesproken en geprezen, geen dominee, geen priester, geen rituelen, maar sprekers, de een na de ander, afgewisseld door enkele tonen van Bach. En zoals dat wel gebeurt in zulke situaties, je gedachten dwalen af, je blik dwaalt rond, om even te ontsnappen aan dat loden gevoel, en opeens zie je de achterwand waar de kist voor staat. Op die achterwand was een bos geschilderd - deze aula is middenin Amsterdam - en tot mijn schrik zag ik tussen de bomen twee grote takkerige handen opdoemen.

De andere aula was zo mogelijk nog smakelozer. Hier werd de witgeschilderde achterwand - gebroken wit - opgekalefaterd door twee plexiglazen rechthoeken. Ik ben niet kerks en door een kerkraam zie ik zelden meer dan een grauwe lucht, maar dit: de nabootsing van twee ramen, met uitzicht op een blinde muur - God verhoede dat mijn kist voor die achterwand komt te staan.

Na honderd jaar atheïsme en negentig jaar agnosticisme moet de Zeitgeist misschien onder ogen zien dat hij niet in staat is de doden te begraven. Hij heeft geen nieuwe rituelen kunnen ontwikkelen. Waar ik naar verlang op zo'n moment is een ritueel dat me opneemt en meedraagt, een gevoel dat ik meer ben dan mezelf, dat ik op de een of andere manier verbonden ben met een geheel. Maar daar, in die aula, klonk niet het gezang dat iedereen kent, daar waren geen eeuwenoude gebaren, daar was geen zegening. Twee plexiglazen rechthoeken, met uitzicht op een blinde muur. Ik vrees dat daarmee wordt bedoeld: er is niets. De mens moet weer op zichzelf worden teruggeworpen, hij mag niet uit de put en zodra hij over de rand probeert te kijken, wordt hij gestraft: “terug in de put”, monkelt dit naargeestige kunstwerk. Voor de ongelovigen is geen troost.

Toen op 4 oktober het El-Al vliegtuig op een flat in de Bijlmer stortte hebben de redacteuren "geestelijk leven' hard moeten werken om de rouw-rituelen, die al die minderheden blijkbaar moeiteloos tot hun beschikking hadden, te beschrijven. Het was de vraag hoe de kunst - de opvolger van de godsdienst - zou reageren op deze dagen van rouw. Maar in de culturele bijlagen van NRC Handelsblad, de Volkskrant en Het Parool stond geen woord van troost. Ze gingen gewoon verder met hun kunstagenda.

In Trouw van zaterdag 10 oktober, op de voorpagina van het katern Letter & Geest, stond een gedicht, alleen een gedicht. Van de Amerikaanse dichteres Edna St. Vincent Millay het Engelse origineel èn een voor die gelegenheid gemaakte - hiernaast afgedrukte - vertaling van Jan Eijkelboom.

Er is nog één zaak die rechtgezet moet worden. "Moeder zit een sok te breien'. Ik vind een vrouw die breit, niet belachelijk, ik vind dat wel een mooi gezicht, dat mijmerende. Als ik Huizinga nog één keer mag citeren: “De mechaniek der moderne massaverstrooiing betekent voorts in de hoogste mate verhindering van concentratie. Het element "opgaan-tot' en "zich-overgeven-aan' vervalt bij de mechanische reproductie van het geziene en gehoorde. De inkeer en de wijding ontbreken. Inkeer nu tot het diepste in hemzelf en wijding van het ogenblik zijn dingen, die de mens om cultuur te bezitten volstrekt nodig heeft.” Dat denk ik als ik een vrouw zie zitten breien.

Rouwzang zonder muziek

Ik leg mij niet neer bij het wegbergen van liefhebbende harten in de harde grond.

Zo is het en zo zal het zijn, want zo is het geweest, tussen nu en weleer.

Zij betreden het duister, de lieflijken en de wijzen. Bekroond met lelies en gelauwerd gaan zij heen, maar ik leg me er niet bij neer.

Minnaars en denkers, in de aarde met jullie, in de kist.

Wees één met het doffe stof dat van geen onderscheid weet.

Een brokstuk van wat je voelde, van wat je wist, een formule, een zinsnede blijft - maar het beste is heen.

Het gevatte antwoord, de eerlijke blik, het lachen, de liefde, het is er niet meer. Ze zijn de rozen gaan voeden, Gekruld, elegant is de bloesem, welriekend de bloesem. Ik weet het. Maar ik keur het niet goed.

Kostbaarder was het licht in je ogen dan alle rozen van het land.

Neer, neer, neer, de duisternis in van het graf gaan zij zachtjes, de mooie, de tedere vrouw, de vriendelijke man gaan heen;

rustig gaan zij, de intelligente, geestige mensen.

Ik weet het. Maar ik keur het niet goed. En ik leg me er niet bij neer.