Strand

Je bent gewend aan strand op het westen, zonsondergangen in zee. Daar niet. Daar lag het strand op het noorden. Dat gaf de avondzon een vreemde stand. Alsof de wereld een kwartslag was gedraaid.

Meestal was het er niet eens, het strand. Dan sloegen de golven met dreunend geweld tegen de krijtrotsen, een opstaande rand van een meter of tachtig. Hier vrat het wufte van de zee aan de stijfheid van het land. Hier was iets gaande waarbij een mens alleen maar toe kon schouwen.

Als het er wel was, het strand, was het volledig versteend. Geen plek voor blote voeten. Uitgestrekte vlaktes van rondgeslepen keien. Hier en daar een snijdende structuur, als van gebroken honingraat. Of een glad en gelig veld van kalk - wat een indruk gaf van uitgesmeerde zalf, van iets waarin je tot je kuiten weg zou zakken. En over dit alles vloeide een film van zoet water, dat aan de voet van de rotswand uit de aarde werd geperst.

De zee was groen als zeep. Boven de einder trok een witte jan-van-gent zijn eigen lijn met zwarte vleugelpunten.

Door het opengereten wolkendek wierp de zon een laatste blik op de dag die zij achterliet. Ze schampte het baken op een verre kaap. En ongeveer op dat moment, dat wist je uit ervaring, hing ze in Holland aan de torenspits van Kamerik.

Zij gaat op oneindig veel manieren onder, de zon.